Hoe zit een fuga van J. S. Bach in elkaar? (vormanalyse)
by on augustus 4, 2018 in Muziektheorie

 

Wil je weten hoe een fuga is opgebouwd? Welke elementen komen erin voor? Hoe is de muzikale ontwikkeling?

Hieronder laat ik zien hoe een fuga in elkaar steekt.

Dit overzicht is geschreven voor conservatoriumstudenten met al wat achtergrondkennis!

Fuga (18e eeuw)

De fuga is een klassiek muziekstuk uit de 18e eeuw. Je komt het heel veel tegen als je naar stukken van bijvoorbeeld de componist J. S. Bach luistert.

Schematisch vormoverzicht fuga

Expositie

Tweestemmig (bij J.S. Bach zeer zeldzaam: zie WTC fuga in e klein, Band 1):

SComesDivertimento
ADuxC.S. of V.C.

Driestemmig:

SComesC.S. 

Divertimento

ADuxC.S.V.C.
TDux

Vierstemmig:

SDuxC.S. 

Divertimento

AComesV.C.V.C.
TDuxC.S.C.S.V.C.
BComes

Toelichting bij de termen

  • Dux (Lt. aanvoerder): de eerste inzet van het thema, in de Tonica.
  • Comes (Lt. metgezel): de tweede inzet van het thema, in de Dominant.
  • C.S. of Contrasubject: de vaste ‘tegenmelodie’ van de Dux.
  • V.C. of Vrij Contrapunt: vrije ‘tegenmelodie’ in de overige stem(men) waarin géén Dux, Comes of C.S. klinkt.
  • Divertimento: de vormsecties of maten binnen één fuga, die een wat vrijer, quasi improvisatorisch karakter dragen. de verschillende inzetgroepen van dux en comes komen hierin niet voor. maar hun materiaal wordt daarin wel verwerkt. Ze bevatten tot slot ook modulerende sequensen.

Toelichting expositie algemeen

  • Regelmatige fuga-expositie: de inzetten van het thema zijn achtereenvolgens een afwisseling van Dux en Comes (vb. Dux-Comes-Dux-Comes).
  • Onregelmatige fuga-expositie: de inzetten van het thema zijn achtereenvolgens geen afwisseling van Dux en Comes (vb. Dux-Comes-Dux-Dux of Dux-Comes-Comes-Dux).
  • Overcomplete expositie: een expositie met één inzet meer dan de fuga stemmen heeft (vb. een 3stemmige fuga met Dux-Comes-Dux-Comes).
  • Contra-expositie: een expositie met meer dan één extra inzet (vb. een 3stemmige fuga met Dux-Comes-Dux-Comes-Dux).

Overige termen

  • Intern divertimento: het verbindingsgedeelte tussen de Comes en de daaropvolgende Dux binnen de Expositie. Dit wordt ook ‘modulerend tussenspel’ genoemd. dat gebeurt meestal in mineur toonsoorten. interne divertimenti bestaan vaak uit motivische voortspinning van materiaal uit de Dux/Comes en/of Contrasubject. Soms ook uit nieuw materiaal. Ook het afsluitend gedeelte (vaak met een slotcadens) tussen de Expositie en het Divertimento noem je ‘Interne divertimento’.
  • Extern divertimento: het verbindingsgedeelte tussen de Exposities.

Contrapuntische technieken

  • Stretto (versnelde opeenvolging van thema-inzetten): stretto is het gedeelte van de fuga waarbij alle thema inzetten elkaar snel opvolgen. Je kan het zien als De climax van de fuga vóór het definitieve einde. Wanneer de tijdsafstand tussen de inzetten slechts één teleenheid is, spreekt met van een ‘Stretto ad minimum’.

Variatie van het thema door:

  • Motus rectus (gelijke beweging): de intervallen, de melodische richtingen (omhoog/omlaag) en de ritmische structuur blijven gelijk.
  • Augmentatio: proportionele vergroting van de notenwaarden, verlangzaming.
  • Diminutio: proportionele verkleining van de notenwaarden, versnelling.
  • Motus contrarius (tegen beweging): de intervallen worden vervangen door gelijknamige intervallen in tegengestelde richting, waarbij de grootte van de intervallen kan veranderen. Dit gebeurt meestal omdat het dan beter in de toonsoort past.
  • Motus retrogradus: het subject achterstevoren, ook wel ‘Kreeft’ genoemd.
  • Motus inversus: horizontale spiegeling of omkering van het subject.  Dit gebeurt wanneer alle intervallen in een melodie door gelijk intervallen in tegengestelde richting worden vervangen; de grootte van de intervallen blijft hierbij onveranderd. Zeer ongebruikelijk tot de 20ste eeuw waar je tegenkomt in de Twaalftoonsmuziek van A. Schönberg.
  • Reële beantwoording: als de Comes een letterlijke transpositie is in de bovenkwint of onderkwart van de Dux
  • Tonale beantwoording: als de Comes enigszins wordt gewijzigd (mutatie)
  • Koppelmotief: soms volgt het Contrasubject niet direct op de Dux, maar zijn er een aantal tonen tussen in gecomponeerd. Je kan dat zien als ‘opvulwerk’.
  • Slotgedeelte: de fuga sluit soms af met een orgelpunt. Daarmee bedoel ik een aangehouden toon in de bas, waarboven zich akkoorden bewegen.

Vier thematypen

In iedere fuga komt een van de volgende vier thematypen voor.

Type A

  • Niet modulerend
  • Geen dominanttoon in de kop
  • Reële beantwoording

Type B

  • Niet modulerend
  • Wel een dominanttoon in de kop. Deze dominanttoon wordt beantwoord met de tonicatoon. dus niet in de kwint, maar in de kwart (we noemen dit ook wel ‘beginmutatie‘). De rest van het thema wordt gewoon in de kwint beantwoord
  • Tonale beantwoording

Type C

  • Modulerend
  • Geen dominanttoon in de kop. Het antwoord moduleert terug d.m.v. ‘eindmutatie‘: Een modulerend thema gaat altijd van tonica naar dominant. Wanneer dit thema letterlijk beantwoord wordt, is het eindresultaat de dominant van de dominant, dat is één toon hoger dan het uitgangspunt. Daarom kan de terugmodulatie plaats vinden door een eindmutatie, d.w.z. vanaf een bepaald moment (veelal de caesuur) wordt de rest van het thema niet meer in de kwint maar in de kwart beantwoord.
  • Tonale beantwoording

Type D

  • Modulerend
  • Wel een dominanttoon in de kop. Het antwoord is een combinatie van B en C. Er is dus ‘beginmutatie’ en ‘eindmutatie’.
  • Tonale beantwoording

Stappenplan analyse

  1. Plattegrond

  • Om een beter zicht op de totale partituur te verkrijgen wordt een plattegrond op lijnen vervaardigd. Ieder stem krijgt een afzonderlijke lijn (gebruik hier voor roosterpapier).
  • Thema (Dux en Comes), Contrasubject en Koppelmotief
  • Vrij contrapunt, voor zover andere stemmen klinken
  • Toonsoorten en cadenserende punten
  1. Waarnemingen

  • Thematype en soort beantwoording = (A/B/C/D. Hierbij dient van type B/C/D een notenvoorbeeld gegeven te worden van Dux en Comes met de gemuteerde tonen omcirkeld.
  • Bouw van het thema
  • Bouw van het Contrasubject. Let op een eventueel verband met het thema en ook de beweging van het C.S. tegenover die van het thema moet besproken worden.
  • Gebruik van het Contrasubject: Eventuele veranderingen en vermeld ook waar het C.S. niet wordt gebruikt en waarom niet.
  • Divertimenti: Bespreking en analyse van materiaal (wat zijn de gebruikte motieven en waar komen ze vandaan), bouw (wat wordt er met de betreffende motieven gedaan) en harmonie (wordt er gemoduleerd, hoe en becijfering).
  • Contrapuntische technieken zoals Vergroting, verkleining, tegenbeweging etc.
  • Vrij contrapunt: Bespreking van de vrije stemmen tegenover het thema. Onderzoek de motivische verwantschap met het thema, C.S. of Koppelmotief.
  • Harmonisch plattegrond: Beschrijving van de harmonische gang van zaken (toonsoorten en modulaties) én een becijfering van de harmonisatie van het thema.
  • Statistiek = Aantal inzetten van het thema (ook per stem) en C.S. De hoogste- en laagste inzet, het aantal thema-maten en het aantal divertimenti-maten. De plaats waar de guldensnede valt (het aantal maten x 0.618).
  1. Beschouwing

Op basis van de gedane waarnemingen leg je ten slotte verbanden, waardoor een beredeneerde structuurverdeling ontstaat. In de beschouwing neem je ook allerlei opmerkingen over het stuk als geheel op.

Harmanus Music | 0683251008 | info@harmanusmusic.com