7 onmisbare bronnen en studietools voor Bach-onderzoek [deel 7]

Ben je muziekliefhebber, amateur-muzikant of student aan een conservatorium of universiteit, met een specifieke interesse in barokmuziek en vooral de muziek van Johann Sebastian Bach (1685-1750)?
Dit zevende blog in de serie ‘Klassieke muziek spelen‘ biedt een inleiding in de literatuur voor Bach-onderzoek, met tips over boeken en online bronnen. Dankzij de digitalisering is het eenvoudig om belangrijke bronnen direct vanuit huis te raadplegen.
De literatuurtips per categorie blijven beknopt, met een nadruk op Engelstalige publicaties die voor een breed publiek toegankelijk zijn.
Hoewel de selectie persoonlijk en beperkt is, wordt bij kopje 6 een uitgebreid overzicht van publicaties in verschillende talen aangeboden. Dit overzicht is ideaal voor professionals en studenten die diepgaand onderzoek naar Bach en zijn muziek willen doen.
1. Bladmuziek voor J. S. Bachs muziek: manuscripten en Urtexten
Muzikanten beginnen natuurlijk bij de muziek zelf: een betrouwbare editie van Bachs bladmuziek is essentieel bij het bestuderen van zijn werken. Denk aan manuscripten zoals autografen en apografen, en aan Urtext-edities. Het verschil tussen deze wordt in deel 6 over muziekinterpretatie besproken.
Bach Digital
Hier vind je gedigitaliseerde manuscripten van Bachs muziek. Zogeheten ‘autografen’ (van Bach zelf) en ‘apografen’ (kopieën van anderen).
- Bezoek de website.
Neue Bach Ausgabe (Urtext)
De ‘Neue Bach Ausgabe’ is een wetenschappelijk verantwoorde Urtext-editie met een kritisch apparaat. Je kan gratis bladmuziek van NBA-edities vinden op IMSLP. Helaas niet voor klavecimbel (piano). De volledig NBA-collectie kun je dan kopen bij uitgeverij Baerenreiter.
Voor een historisch overzicht van de ideeën en praktijken achter het maken van edities zoals de NBA:
- Brett, “Text, context, and the early music editor.” In Authenticity and Early Music: A Symposium, edited by Nicholas Kenyon, 83-114. Oxford: Oxford University Press, 1988.

Autograaf van Bachs ‘Inventie 2‘ (bron: Bach Digital)
2. Handboeken en overzichtswerken voor Bach en zijn muziek: van Oxford en Routledge tot Cambridge
Handboeken bieden een overzicht van discussies binnen Bach-studies en brengen je in aanraking met nieuwe onderwerpen. Ze geven gebalanceerde samenvattingen van verschillende visies en bevatten voetnoten en bibliografieën voor verder onderzoek.
Handboeken over verschillende onderwerpen binnen Bach-studies
Voor een biografie over Bach kan je beginnen met Boyds J. S. Bach. Voor informatie over Bach en zijn muziek: Marshalls The Music of J. S. Bach. Voor info over de barokke periode en steden: Buelows The Late Baroque Era. Voor handboek-achtige informatie: Cambridge en Routledge Companion, Early Music, Cambridge History, The Music of J. S. Bach en beide Bach Studies.
- Boyd, Malcolm, ed. Oxford Composer Companion: J. S. Bach. Oxford: Oxford University Press, 1999.
- Buelow, George J., ed. The Late Baroque Era: From the 1680s to 1740. London: The Macmillan Press Limited, 1993.
- Butt, John, ed. The Cambridge Companion to Bach. Cambridge: Cambridge University Press, 2010.
- Franklin, Don O., ed. Bach Studies. Cambridge: Cambridge University Press, 1989.
- Kelly, Thomas Forrest. Early Music: A Very Short Introduction. New York: Oxford University Press, 2011.
- Lawson, Collin and Robin Stowell, eds. The Cambridge History of Musical Performance. Cambridge: Cambridge University Press, 2012.
- Leaver, Robin A. The Routledge Research Companion to Johann Sebastian Bach. New York: Routledge, 2017.
- Marshall, Robert L. The Music of Johann Sebastian Bach: The Sources, The Style, The Significance. New York: Schirmer Books, 1989.
- Melamed, Daniel R., ed. Bach Studies 2. Cambridge: Cambridge University Press, 1995.
Handboeken over barokke instrumenten en Bachs muziekwerken (repertoire)
Voor toetseninstrumenten is Schulenbergs Keyboard Music hét standaardwerk. Voor orgel is dat Williams Organ Music. Voor strijkers en blazers begin je bij Johnsons vertaling J. S. Bach’s Chamber Music: Background, Analyses, Individual Works.
- Boyd, Malcolm. Bach: The Brandenburg Concertos. Cambridge: Cambridge University Press, 1993. [overzicht van studies over de Brandenburgse Concerto’s]
- Hubbard, Frank. Three Centuries of Harpsichord Making. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1965.
- Sadie, Stanley, ed. The New Grove Dictionary of Musical Instruments, 3 London, 1984.
- Schulenberg, David. The Keyboard Music of J. S. Bach. New York: Routledge, 2006.
- Vogt, Hans. Johann Sebastian Bachs Kammermusik: Voraussetzungen, Analysen, Einzelwerke. Stuttgart: Reclam Verlag, 1981. Vertaald door Kenn Johnson, Johann Sebastian Bach’s Chamber Music: Background, Analyses, Individual Works. Portland, OR: Amadeus Press, 1988. [overzicht van Bachs solo repertoire voor viool, cello, luit en fluit]
- Williams, Peter. The Organ Music of J. S. Bach. Cambridge: Cambridge University Press, 2004.
3. Historische bronnen voor Bach-studies: van traktaten, brieven en documenten tot biografieën
Na de handboeken zijn primaire bronnen essentieel. Deze documenten uit Bachs tijd, geschreven door hemzelf of tijdgenoten, geven waardevolle inzichten. Vijf auteurs die je zeker moet lezen zijn: Quantz, Bachs zoon, Mozarts vader, Türk en Walther.
The New Bach Reader
Dit is de Engelse versie van het Duitse ‘Bach-Dokumente’ (afgekort BD). Hierin vind je een compilatie van de belangrijkste oorspronkelijke historische documenten over Bach: documenten van Bach zelf en zijn tijdgenoten. Alles overzichtelijk bij elkaar. Zo kun je gemakkelijk zelf de oorspronkelijke bronnen in een Engelse vertaling lezen. Ook in E-book formaat te koop.
- David, Hans T. and Arthur Mendel. The New Bach Reader: A Life of Johann Sebastian Bach in Letters and Documents. Revised and enlarged by Christoph Wolf. New York: Norton, 1998.
Johann J. Quantz, Versuch (1752)
J. J. Quantz (1697-1773) was een barok-fluitist en componist. Quantz behoort tot de meest invloedrijke meesters van het Duitsland uit de 18e-eeuw. Hij was een tijdgenoot van J. S. Bach. Zijn beroemde ‘Versuch’ (traktaat) voor fluitstudie is een soort lesboek met richtlijnen over hoe je barokke muziek moet uitvoeren.
- Quantz, Johann J. Versuch einer Anweisung die Flöte traversiere zu spielen (1752). Vertaald door Reilly, Edward R. On Playing The Flute. 2nd ed. London: Faber and Faber Ltd, 2010. PDF E-Book.
Carl P. E. Bach, Versuch (1753)
Carl P. E. Bach (1714-1788) is de beroemde zoon van J. S. Bach. Hij is een overbruggingsfiguur tussen barok en classicisme. Zijn beroemde ‘Versuch’ voor klavierstudie werd intensief bestudeerd door grote namen als Haydn, Mozart en Beethoven.
- Bach, Carl Philipp Emanuel. Versuch Über die wahre Art das Clavier zu spielen (1753). Vertaald door Mitchel, William J. Essay on the True Art of Playing Keyboard Instruments. New York: W. W. Norton & Company, 1949.
Leopold Mozart, Versuch (1756)
Leopold Mozart (1719-1787) is de vader van de beroemde W. A. Mozart. Hij was zelf een componist, violist en groot vioolpedagoog. Zijn beroemde ‘Versuch’ voor vioolstudie zette hem in geheel Europa als muziekpedagoog op de kaart.
- Mozart, Leopold. Versuch einer gründlichen Violinschule (1756). Vertaald door Knocker, Editha. A Treatise on the Fundamental Principles of Violin Playing. 2nd ed. Oxford: Oxford University Press, 1985.
Daniel G. Türk, Klavierschule (1789)
Daniel G. Türk (1750-1813) was een componist en organist. Zijn ‘Versuch’ voor klavierstudie, naast dat van C. P. E. Bach, is een belangrijk naslagwerk over de uitvoeringspraktijk. Hoewel het minder gericht is op de barok en meer op het classicisme, blijft het een waardevolle bron.
- Türk, Daniel Gottlob. Klavierschule (1789). Vertaald door Raymond H. Haggh, School of Clavier Playing. Lincoln: University of Nebraska Press, 1982.
Johann G. Walther, Musicalisches Lexicon (1732)
Johann G. Walther was de neef van J. S. Bach. Zijn werk is het eerste muzieklexicon in het Duits. Dit lexicon biedt nog steeds een onuitputtelijk reservoir aan informatie over muzikale relaties, termen, uitvoeringspraktijk en de belangrijkste componisten en muziekschrijvers tot het eerste derde deel van de 18e eeuw.
- Walther, Johann Gottfried. Musicalisches Lexicon oder Musicalische Bibliothec (1732). Nieuwe facsimile door Kassel: Bärenreiter-Verlag, 1993. Verkrijgbaar bij Baerenreiter. Ook online beschikbaar.
4. Uitvoeringspraktijk-literatuur
Als muzikant of performer wil je meestal ook veel lezen over hoe je Bachs muziek moet spelen. Wat de barokke conventies en richtlijnen zijn. Dan heb je vooral literatuur over de uitvoeringspraktijk nodig. In het Engels ‘performance practice’. Dat kan van heel specifiek over één onderwerp zoals articulaties (Butt) of barokke dansen (Little & Jenne). Of juist meer algemeen (Cyr, Kuijken, Donington). Ook handboeken over performance practice zijn aan te bevelen (Lawson & Stowell, Jackson).
- Butt, John. Bach Interpretation: Articulation Marks in Primary Sources of J.S. Bach. Cambridge: Cambridge University Press, 1990.
- Cyr, Mary. Performing Baroque Music. New York: Routledge, 2016.
- Kuijken, Barthold. The Notation is not the Music: Reflections on Early Music Practice and Performance. Indiana: Indiana University Press, 2013.
- Donington, Robert. The Interpretation of Early Music. London, 1963. Revised edition. London, 1974.
- Jackson, Roland. Performance Practice: A Dictionary-Guide for Musicians. New York: Taylor & Francis Group, LLC,
- Lawson, Collin and Robin Stowell, eds. The Cambridge History of Musical Performance. Cambridge: Cambridge University Press, 2012.
- Little, Meredith and Natalie Jenne. Dance and the Music of J. S. Bach. Bloomington, IN: Indiana University Press, 2001.
5. Research-literatuur voor Bach-onderzoek: journals en vakliteratuur
Journals of andere vakliteratuur bieden je cutting-edge artikelen. Erg belangrijk als je de ‘nieuwste inzichten’ wilt opdoen. Dat is tegelijk een nadeel. Ze hebben nog niet altijd de tand des tijds doorstaan. Wat dat betreft geven handboeken je meer stabiele kennis en informatie. Ook zijn handboeken toegankelijker en minder technisch.
An Introduction to Bach Studies
Je vindt hierin per topic (onderzoeksgebied) een bibliografie. Met een korte uitleg wat de waarde van het desbetreffende werk is. Dit is een goed startpunt voor het overzichtelijk vinden van literatuur.
- Melamed, Daniel R. and Michael Marissen. An Introduction to Bach Studies. Oxford: Oxford University Press, Inc, 1998.
Bach Bibliography
Bach Bibliography biedt een vrijwel compleet overzicht van alle wetenschappelijke publicaties omtrent Bach.
- Bezoek de website.
Bach-Jahrbuch
Het Bach-Jahrbuch 1904-2019 is leidend op het onderzoeksgebied van Bach. Je vindt hierin cutting-edge wetenschappelijke artikelen. Jaarlijkse publicatie door The Neue Bachgesellschaft in Leipzig. Voertaal is Duits.
- Bezoek de website.
BACH: Journal of the Riemenschneider Bach Institute
BACH: Journal of the Riemenschneider Bach Institute is een halfjaarlijkse peer-reviewed journal van The Riemenschneider Bach Institute in Massachusetts. Voertaal is Engels.
Bach Perspectives
Bach Perspectives wordt sinds 1995 om het jaar gepubliceerd door The American Bach Society. Voertaal is Engels.
- Bezoek de website.
6. Uitvoerige bibliografieën voor Bach-onderzoek
Wil je een eigen literatuurlijst samenstellen? Begin dan met de bibliografie in het artikel over Bach in The New Grove. Dit is een uitstekend startpunt. Daarnaast biedt het Bach Archiv Leipzig online een overzicht van recente publicaties, wat ook zeer nuttig kan zijn.
‘New Grove’ over J. S. Bach
- Wolff, Christoph and Walter Emery. “Bach, Johann Sebastian.” In The New Grove dictionary of music and musicians, edited by Stanley Sadie. 20 vols. London, 1980. Online beschikbaar.
Bach Archiv Leipzig (Online)
- Bezoek de website.
7. Allerhande over J. S. Bach
Tot slot geef ik je nog wat allerhande leestips en een overzicht van belangrijke organisaties omtrent Bach en zijn muziek.
Literatuur
- Boyd, Malcolm. Bach, 2nd ed. Oxford, 1995.
- Dreyfus, Laurence. Bach and the patterns of invention. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1996. [Bachs componeerproces van instrumentale werken]
- Harnoncourt, Nikolaus. Musik als Klangrede. Vertaald door O’Neill, Mary. Baroque Music Today: Music As Speech. Portland, OR: Amadeus Press, 1995.
- Koopman, Ton. Oratie: Authenticiteit in de historische uitvoeringspraktijk. Universiteit Leiden, 2008.
- Schulze, Hans-Joachim and Christoph Wolff. Bach Compendium: Analytisch-bibliographisches Repertorium der Werke Johann Sebastian Bachs (BC). Leipzig and Frankfurt, 1985-.
- Schmieder, Wolfgang. Thematisch-systematisches Verzeichnis der musikalischen Werke von Johann Sebastian Bach: Bach-Werke-Verzeichnis (BWV). Wiesbaden, 1950, and reprints. 2d ed. 1990. [Informatie over individuele werken van Bach]
Improviseren 17e – 18e eeuw
- Ledbetter, David. Continuo Playing According to Handel: His Figured Bass Exercises, with a Commentary. Early Music Series 12. Oxford: Oxford University Press, 1990.
- Keller, Hermann. Thoroughbass Method. Edited and translated by Carl Parrish. New York: W. W. Norton & Company, 1965. (aangeraden door Noam Sivan als studiemateriaal voor zijn improvisatielessen)
- Bach, Carl Philipp Emanuel. Versuch Über die wahre Art das Clavier zu spielen (1753). Vertaald door Mitchel, William J. Essay on the True Art of Playing Keyboard Instruments. New York: W. W. Norton & Company, 1949. (zie het laatste hoofdstuk).
Bach organisaties
- The American Bach Society. Publicaties: Newsletter, Bach Perspectives.
- Bach-Archiv Publicaties: Neue Bach-Ausgabe (met Johann-Sebastian-Bach-Institut, Gottingen), Leipziger Beitrage zur Bachforschung.
- Johann-Sebastian-Bach-Institut Publicaties: Neue Bach-Ausgabe (met Bach-Archiv, Leipzig)
- Neue Bachgesellschaft. Publicaties: Bach-Jahrbuch, Mitteilungsblatt.
- Riemenschneider Bach Institute. Publicaties: Bach: Journal of the Riemenschneider Bach Institute.
Nu kan het werk beginnen! Hopelijk biedt dit een goede basis voor verdere studie en onderzoek.
5 problemen voor de muziekinterpretatie van bladmuziek [deel 6]

Speel je klassieke muziek? Dan gebruik je vast en zeker bladmuziek. Waarschijnlijk een ‘Urtext-editie’. Die bieden ‘de meest betrouwbare notaties’.
Maar hoe betrouwbaar is je bladmuziek eigenlijk? Moet je een Urtext gebruiken? Zijn die noten op papier wel door de componist geschreven én zo bedoeld? Welke interpretatieproblemen kom je tegen bij het lezen van die noten? En hoe ga je daarmee om?
Veel lastige vragen waar muziekwetenschappers zich al lange tijd mee bezighouden. Zeker de muziekwetenschappers binnen de Historically Informed Performance (HIP). Een belangrijk vakgebied voor de studie van klassieke muziek.
Eén controversieel doel van de HIP is een muziekstuk begrijpen en uitvoeren zoals het bedoeld is door de componist. Volgens de richtlijnen van zijn of haar tijd. ‘Controversieel’, omdat niet iedereen gelooft dat zulke onderzoeken zinvol zijn.
In dit 6e blog van mijn serie ‘Klassieke muziek interpreteren‘ vertel ik je daar meer over. Ik neem je in vogelvlucht mee in de complexe wereld van tekstbetrouwbaarheid en tekstinterpretatie.
Ik spits het onderwerp specifiek toe op de muziek van Johann Sebastian Bach (1685-1750). Maar veel inzichten kan je natuurlijk breder toepassen. Op ieder klassieke muziekwerk. Van Bach, Mozart en Beethoven tot Rachmaninov en Philip Glass.
Verwacht hier geen sluitende antwoorden. Wél stof tot nadenken.
Heb je vragen? Voel je vrij om onderaan een reactie te plaatsen!
Probleem 1. Auteurschap: Is het muziekstuk wel van J. S. Bach?
We weten niet altijd zeker of een overgeleverd stuk van Bachs hand afkomstig is. Om die discussie te kunnen volgen moet je eerst wat weten over manuscripten en tekstkritiek.
Tekstkritiek: autografen en apografen
Een belangrijk vakgebied voor Bach-onderzoeken is ‘Tekstkritiek’. Je houdt je dan bezig met het achterhalen van de oorspronkelijke tekst van een auteur. Wat de auteur bedoelde toen de tekst geschreven werd (Tomita 2017, 49).
In de tekstkritiek werk je vaak met manuscripten: autografen en apografen. ‘Autografen’ zijn manuscripten die van de oorspronkelijke auteur afkomstig zijn. ‘Apografen’ zijn kopieën van het origineel, gemaakt door andere auteurs.
‘Echtheid’ bepaal je aan de hand van externe en interne criteria. Bij externe criteria kan je denken aan de ouderdom, het soort materiaal, de gebruikte inkt en de schrijfhand. Bij de interne criteria let je op de stijl, compositiewijze, het onderwerp van een tekst, enzovoorts. Tekstkritiek houdt zich vooral met de interne criteria bezig.
Het liefst wil je een autograaf om vast te stellen wat het ‘originele stuk’ is. Maar vanuit kopieën kan je ook een ‘hypothetische reconstructie’ maken. Wat het origineel ‘zou zijn geweest’. Dat biedt natuurlijk geen zekere conclusies.
Onzekerheid over bladmuziek: Bach ‘Toccata and Fugue in D minor’
We weten helaas niet altijd zeker of een overgeleverd muziekstuk van Bachs hand afkomstig is. De autografen ontbreken in meer dan de helft van Bachs muziekwerken (Bärwald 2017, 478). Zeker van Bachs vroege werken (Schulenberg 2006, 11).
Van sommige beroemde stukken is er onder grote wetenschappers zelfs twijfel over of Bach überhaupt de auteur is. Bijvoorbeeld de beroemde ‘Toccata en Fuga in D-mineur, BWV 565’. Daarvan hebben we geen enkele autograaf. Ook lijkt de compositie af te wijken van Bachs stijl (Yearsley 2017, 314-316).
In veel gevallen werk je met apografen. Dus manuscriptkopieën van anderen. Zoals die van Bachs kinderen, leerlingen, assistenten, orkestmuzikanten of muzikanten van een generatie later. Als je meerdere apografen hebt, mag je al dankbaar zijn. Dan kan je vergelijken wat ze gemeenschappelijk hebben aan noten en aanduidingen. Soms heb je alleen één apograaf. Dan is het hopen dat zo’n kopie een exacte versie van een origineel is.
Daarom is er in de muziekwetenschap altijd discussie over datering en auteurschap.
Ton Koopman speelt Bachs ‘Toccata & Fuga in D mineur’
Toch is Bach-onderzoek zinvol: we boeken véél vooruitgang!
Vóór 1950 werd onderzoek vooral gedaan door individuele onderzoekers en zonder de moderne digitale middelen.
Na 1950 werden er Bach-instituten opgericht zoals de Bach-Archiv Leipzig en Johann-Sebastian-Bach-Institut Göttingen. Door institutionalisering van Bach-onderzoek, technologische vernieuwingen en digitalisering boeken we veel wetenschappelijke vooruitgang (Bärwald 2017).
Er zijn ook nieuwe disciplines geïntegreerd zoals handschriftenonderzoek. Vooral dankzij baanbrekend werk van wetenschappers als Georg von Dadelsen (1918-2007) en Alfred Dürr (1918-2011).
Op het gebied van manuscriptenonderzoek noem ik vier voorbeelden.
Van sommige manuscripten hadden we handschriften geïdentificeerd zonder te weten wie de auteur was. Nu blijkt de auteur van een apograaf die we eerst Anonymous 5 noemden, Bachs leerling Bernhard Christian Kayser te zijn (Talle 2003, 155–67). En Anonymous 300 is de Berlijnse kopiist Johann Friedrich Hering (Wollny 1995).
Andere belangrijke ontdekkingen betreffen de autografen. De manuscriptbronnen C en D voor Bachs ‘Mis in B-mineur’ blijken toch geen autografen te zijn. Het zijn kopieën van na Bachs dood (Von Dadelsen en Brokaw 1989). En in 2005 heeft onderzoeker Michael Maul een compleet nieuwe ‘aria’ van Bach ontdekt, op een autograaf-manuscript (Maul 2005; Bärwald 2017, 481)!
We boeken dus zeker vooruitgang op dit onderzoeksgebied.
Wil je meer lezen over manuscriptenonderzoek in Bachstudies?
Lees dan “Manuscript” van Yo Tomita en “Recent Research Developments” van Manuel Bärwald. Deze bijdragen vind je in The Routledge Research Companion to Johann Sebastian Bach (2017).

Autograaf van Bachs ‘Inventie 2‘ (bron: Bach Digital)
Probleem 2. Hebben we de juiste noten in J. S. Bachs bladmuziek? Urtext vs facsimile
Autografen en apografen vormen de basis voor onze huidige bladmuziekedities. Zeker de ‘Urtext-editie’. Muzikanten zien vaak een Urtext als de meest betrouwbare versie van Bachs muziekstukken. Vrijwel iedereen speelt eruit. Van beginners tot professionals. Maar is die zo betrouwbaar?
Urtext-editie
Een Urtext is meestal een compilatie van verschillende manuscripten. Soms van verschillende apografen. Soms zelfs van verschillende autografen. Hoe komt dat?
Het gaat wel eens fout bij een eerste druk. Componisten corrigeren dan die versie. Of een componist maakt jaren later een aanpassing van zijn eigen stuk. Zo ontstaan er verschillende autografen.
Soms zijn de autografen haast niet te lezen. Omdat ze slordig zijn geschreven. Bepaalde aanduidingen zoals bogen of puntjes zijn niet altijd duidelijk boven de noten geplaatst. En soms is het een kwestie van dat de inkt is vervaagd.
Je moet dan als redacteur lastige keuzes maken. Ga je voor een punt of een streep? Ga je voor de noten uit apograaf 1 of 2? Uiteindelijk maak je vanuit al die keuzes één versie. En dát is een Urtext. Wat je in dat geval hebt is dus een compilatie van verschillende teksten. Een ‘academische reconstructie’. Een versie die nooit in de werkelijkheid heeft bestaan.
Of zoals Bach-specialist Robert L. Marshall wat stelliger verwoordt:
“Anyone who has had occasion to examine the original sources of the works of Johann Sebastian Bach knows that they often contain a multitude of variants, internal contradictions, ambiguous readings, and a not inconsiderable number of plain mistakes. This state of affairs inevitably confronts an editor of Bach’s music with an array of uncommonly difficult, if not indeed simply insoluble problems […]. One can rarely achieve more than a rendering that is consistent and plausible and that just may reflect Bach’s intention. But that can almost never be proven. What one quite frankly settles for in most cases, then, is a fairly reasonable fiction.” (Marshall 1989, 241-242).
Facsimile-editie
In plaats van een Urtext kan je ook een facsimile-editie gebruiken. Dan heb je een fotokopie van één oorspronkelijke manuscript. Dat kan een enkele autograaf óf apograaf zijn.
Sommige wetenschappers vinden een Urtext beter. Omdat het juist een resultaat van kritische vergelijkingen is. Zo kom je dichterbij de ‘kern’ van de waarheid.
Maar een facsimile heeft ook voordelen. Je hebt dan tenminste een versie die werkelijk heeft bestaan. Geen hypothetische reconstructie vanuit verschillende bronnen. Musicoloog James Webster merkt op: “a facsimile can provide an unaltered expression of the composer’s intent.” (Webster, 1997).
Wat te doen?
Het lijkt voor sommige mensen alsof tekstkritiek nattevingerwerk is. Maar zo zwart-wit is het niet. In tekstkritische zin kan je zeker spreken van minder of meer betrouwbare teksten. De ene tekst kan werkelijk ‘beter’ zijn dan de andere.
Vaak kan je onduidelijke passages oplossen door ze te vergelijken met parallelle delen. Zoals herhalingen binnen hetzelfde muziekstuk. Of je kan bepalen wat het moet zijn op basis van ervaring met Bachs schrijf- en compositiestijl.
Robert Marshall: “It is often possible to resolve these ambiguities by carefully considering both the immediate context and the treatment of corresponding, or parallel sections (repeated passages and the like) and also by developing a familiarity with Bach’s script and writing habits.” (Marshall 1989, 241-242).
In veel gevallen kan je ook je autograaf vergelijken met eventueel beschikbare apografen.
Urtexten zijn het resultaat van rigoureus onderzoek dat navolgbaar is. Elke keuze wordt verantwoord en genoteerd. Meestal in een bijbehorend ‘kritisch apparaat’. Gewoon een soort van lijstje met voetnoten. Op die manier weet je waar de mogelijke gevallen van twijfel zitten. En voor welke oplossing door onderzoekers gekozen is.
Tip: Bach Digital en Neue Bach Ausgabe
Manuscripten voor Bachs muziek worden bewaard in Berlijn, Leipzig, Dresden, Göttingen, Wenen, Brussel, London, New Haven, Washington en Tokyo. Je kan hiervan een facsimile kopen. Of de scanversies direct online raadplegen via Bach Digital.
Ga je voor een Urtext, kies dan de ‘Neue Bach Ausgabe’. Dat is een wetenschappelijk verantwoorde editie met een kritisch apparaat. Je kan gratis bladmuziek van NBA-edities vinden op IMSLP. Helaas niet voor klavecimbel (piano). De volledig NBA-collectie kun je dan kopen bij uitgeverij Baerenreiter.

Bachs beroemde ‘Musikalisches Opfer’ (NBA-uitgave)
Probleem 3. De beperking van muzieknotatie en Bachs bladmuziek
“Jouw intuïtie en oren blijven noodzakelijk en onmisbaar voor muziekinterpretatie.”
Het interpreteren van bladmuziek is niet zo’n makkelijk proces. Zelfs niet als je de exacte noten en uitvoeraanduidingen van de componist hebt.
Muzieknoten kunnen niet alles vastleggen
Allereerst is het goed te beseffen hoe beperkt muzieknotatie is. Je kan simpelweg niet alles wat je hoort in tekens en woorden uitdrukken. Meestal ook niet op een exacte manier.
Tegenwoordig kan je volume exact uitdrukken in ‘decibel’ en tempo in ‘beats per minute’ (BPM). Dus relatieve begrippen zoals ‘forte’ (luid) en ‘allegro’ (snel) lijken overbodig te worden. Deze moderne tools had Bach niet. En zelfs met die exacte notaties is het onmogelijk om kleine timingsverschillen te noteren. Muzieknotatie heeft nu eenmaal haar grenzen.
Maar je moet bedenken dat een exacte notatie niet altijd wenselijk is. Als uitvoerder moet je bijvoorbeeld in de praktijk rekening houden met de omgeving. Met hoe geluid in een bepaalde ruimte en omgeving klinkt. 10 decibel volume in een optimale concertzaal of in je badkamer met tegels kan namelijk totaal anders ervaren worden. En als er veel galm is, kan je een stuk langzamer spelen. Anders wordt het rommelig.
Dit soort zaken bepaal je niet alleen vanuit blad. Jouw intuïtie en oren blijven noodzakelijk en onmisbaar voor muziekinterpretatie. Daarom schrijven veel componisten niet alles in de punten en komma’s op.
In de documentaire ‘Imperfect Harmony’ verwoordt de Nederlandse hedendaags-klassieke componist Louis Andriessen (1939-2021) het treffend: “Ik wil geen partituur schrijven waarbij de musici een soort bureaucraten zijn die alleen doen wat er staat, zonder hun oren te gebruiken.”
Bach zelf schreef niet alles uitgebreid op
Bach schreef meestal bewust niet alles op. Omdat veel stijlkenmerken voor Bach en zijn tijdgenoten algemene kennis waren. Hij hoefde niet alles voor zijn muzikanten op te schrijven. Men wist wat te doen.
Zeker als het gaat om articulatie, wat een wezenlijk onderdeel is van barokke muziek. De beroemde barok-fluitist en Bachs tijdgenoot Johann Joachim Quantz omschrijft het kiezen van articulaties als een proces dat “leven” geeft aan de noten (On Playing the Flute, XI:19). Door het kiezen van articulaties had je als performer invloed op het karakter of de ‘spirit’ van de muziek (Cyr 2016, 87).
Daarnaast hing een uitvoering deels af van iemands ‘goede smaak’. ‘Goede smaak’ is in de 18e-eeuw een belangrijk concept voor performers. En die goede smaak kan verschillen van stad tot stad (Kuijken 2013, 14). Dus een minimale schets-achtige notatie was voldoende. De rest liet je als componist over aan de muzikanten.
Zoals Barthold Kuijken schrijft: “One could ask why composers did not write more precisely. They presumably did not need to, since performers would know what to do, or it did not matter so much: good taste can have many different shades, indeed.” (Kuijken 2013, 47).
Hoe ga je hiermee om?
“De barokke praktijk zelf geeft ons die ruimte voor artistieke vrijheid.”
Dit maakt muziekinterpretatie voor ons moeilijk. Wij hebben die context niet meer. Door onderzoek kun je wel iets van de uitgangspunten in Bachs tijd begrijpen. En vanuit daar iets zeggen over Bachs mogelijke bedoelingen. Lees mijn vorige blog als je hier meer over wilt weten.
En vergeet niet dit: performers hadden enige vrijheid om eigen articulaties te bepalen. Er was niet altijd één correcte articulatiekeuze.
We weten bijvoorbeeld dat Bach zijn articulaties van zijn eigen werk aanpaste aan de situatie als dat nodig was. Zeker op ritmisch niveau om zo te voldoen aan een bepaalde smaakopvatting (Stauffer 2010, 260-261).
We hebben van Bach hetzelfde stuk in twee versies (autografen): ‘Ouverture in B mineur, BWV 831’ en de eerdere versie ‘Ouverture in C mineur, BWV 831a’. Hij maakt de ritmes in BWV 831 korter en scherper dan BWV 831a. Op die manier voldeed het werk beter aan de meer gepuncteerde ‘Franse stijl’ van muziekarticulatie.
Zo ook voor Bachs ‘Mis in B-mineur’. Toen Bach in 1733 het stuk presenteerde aan Friedrich August II, had hij het ritme aangepast. Bach herschreef de openingsmelodie in een Italiaans ritme. Het zogeheten ‘Lombardisch ritme’. Waarom deed hij dat? Omdat in Dresden rond 1730 de ‘Italiaanse stijl’ in de mode was. Zo simpel als dat!
Wees daarom niet te dogmatisch en strikt met notaties. De barokke praktijk zelf geeft ons die ruimte voor artistieke vrijheid.

Vergelijking BWV 381/381a. (Bron: Stauffer 2010, 261)
Probleem 4. J. S. Bachs betekenis van bladmuzieknotaties zijn onduidelijk
Het weinige dat Bach heeft opgeschreven is niet altijd makkelijk te begrijpen. We kunnen soms niet met zekerheid vaststellen wat een bepaalde aanduiding in de bladmuziek van Bach betekent.
Bach kan notaties op verschillende manieren gebruiken
Soms ontstaat de onduidelijkheid omdat Bach zijn tekens op meerdere manieren gebruikt. Neem genoteerde bogen boven muzieknoten. Die bogen betekenen in Bachs bladmuziek niet simpelweg ‘legato’ (gebonden spelen). Ze kunnen zowel articulatietekens inhouden als bepaalde volume- en tempo-indicaties.
De bekende Bach-specialist John Butt heeft hier veel onderzoek naar gedaan. In zijn standaardwerk ‘Bach Interpretation: Articulation Marks in Primary Sources of J.S. Bach’ merkt hij op: “Sometimes they [slurs] perform several interpretative tasks simultaneously.” (Butt 1990, 209). Iets wat meestal weinig muzikanten en muziekdocenten beseffen.
Hoe ga je hiermee om?
We weten misschien niet altijd wat de exacte antwoorden zijn. Maar we kunnen vaak wel de onwaarschijnlijke opties uitsluiten. Of de meest plausibele mogelijkheden voor articulaties in kaart brengen. Het feit dat we weten dat Bachs bogen een X-aantal specifieke betekenissen hebben betekent vooruitgang. Zo heb je een duidelijk afgebakend ‘speelveld’ voor je keuzes.

Autograaf van Bachs ‘Inventie 3’ met bogen (bron: Bach Digital)
Probleem 5. We weten niet altijd zeker of J. S. Bach het zó heeft bedoeld
Stel dat je met 100% zekerheid kan vaststellen wat een bepaalde aanduiding in de bladmuziek van Bach betekent. En dat het 100% van zijn hand is. Zelfs dan heb je nog niet bewezen dat hij het zó heeft bedoeld.
Onbedoelde fouten in muzieknotatie
Misschien was een bepaalde notatiekeuze wel een foutje. In het snel opschrijven van zijn eerste versie schrijft Bach een verkeerde muzieknoot of symbool. Vervolgens maakt hij een tweede versie waarin hij die fout verbetert. Deze tweede versie raakt in de tijd verloren en wij hebben alleen zijn eerste versie. Zonder dat we dit weten.
Afstemmen op het niveau van muzikanten
Of hij maakt een keuze in zijn muziek om aan te sluiten op de (on)kundigheid van de muzikanten. Hij moest immers roeien met de riemen die hij had. In zijn memorandum van 1730 sprak Bach zijn ergernis uit over de kwaliteiten en beperkingen van zijn muzikanten en vocalisten (Marshall 1989, 232).
Hoe ga je hiermee om?
Zoals ik al eerder zei: veel fouten kun je oplossen door vergelijking en contextkennis. De situatie is niet altijd hopeloos. We weten meestal ook waar de twijfelachtige passages zitten. Je kan dat zelf controleren in het kritisch apparaat van een NBA-editie.
En als Bach zijn stukken op de muzikanten aanpaste, dan is die aanpassing in ieder geval zijn directe bedoeling! Wat er verder in zijn hoofd omgaat aan mogelijke versies kunnen we niet weten. Maar is dat nodig?

Bachs memorandum uit 1730 (bron: NBR II, nr. 151)
Conclusie
“Als je 100% zekerheden zoekt, kun je beter je verwachtingen aanpassen.”
Het onderzoek naar de betrouwbaarheid van bladmuziek is complex, net zoals tekstinterpretatie. In dit blog heb ik enkele vragen en problemen aangestipt, evenals mogelijke manieren om ermee om te gaan.
Persoonlijk vind ik dit onderzoek waardevol. We boeken vooruitgang door slechte opties uit te sluiten en door interpretaties te beperken tot wat waarschijnlijk is. Dit biedt mij als artiest ruimte voor interpretatie en helpt mij vruchtbare wegen te kiezen.
Natuurlijk zijn niet alle problemen oplosbaar, zeker niet met 100% zekerheid. Maar dat is geen reden tot ontmoediging. In de muziekwetenschap werken we, net als in andere vakgebieden, met overtuigende argumenten en waarschijnlijkheden.
David Schulenberg merkt op: “Useful answers are likely to be framed in terms of probabilities and possibilities, not absolute black and white dogmas.” (Schulenberg 2006, 11).
Barthold Kuijken concludeert: “We shall never know exactly how J. S. Bach played. All we can aspire to do is fall reasonably well within the limits of probability and good taste.” (Kuijken 2013, 2).
Voor mij is dat meestal voldoende. Hoe is dat voor jou?
Literatuur
- Bach Digital voor oorspronkelijke manuscripten (autografen). Beschikbaar via https://www.bach-digital.de/content/index.xed;jsessionid=3E26BBD15CA3B5E409530E7D497B41DC?lang=en.
- Bärwald, Manuel. “Recent Research Developments.” In The Routledge Research Companion to Johann Sebastian Bach, edited by Robin A. Leaver, 475-484. New York: Routledge, 2017.
- Butt, John. Bach Interpretation: Articulation Marks in Primary Sources of J.S. Bach. Cambridge: Cambridge University Press, 1990.
- Cyr, Mary. Performing Baroque Music. New York: Routledge, 2016.
- Dadelsen, Georg von and James A. Brokaw, II. “Friedrich Smend’s Edition of the B-Minor Mass by J. S. Bach.” Bach 20, no. 2 (1989): 49-74. Beschikbaar via https://www.jstor.org/stable/41640324.
- David, Hans T. and Arthur Mendel. The New Bach Reader: A Life of Johann Sebastian Bach in Letters and Documents. Revised and enlarged by Christoph Wolf. New York: Norton, 1998.
- Kuijken, Barthold. The Notation is not the Music: Reflections on Early Music Practice and Performance. Indiana: Indiana University Press, 2013.
- Marshall, Robert L. The Music of Johann Sebastian Bach: The Sources, The Style, The Significance. New York: Schirmer Books, 1989.
- Maul, Michael. “Alles mit Gott und nichts ohn’ ihn” – Eine neu aufgefundene Aria von Johann Sebastian Bach.” Bach-Jahrbuch, no. 91 (2005): 7–34. Zie ook NBA Supplement, Beiträge zur Generalbass- und Satzlehre, Kontrapunktstudien, Skizzen und Entwürfe, ed. by Peter Wollny (2011): 231–243.
- Quantz, Joachim. On Playing The Flute, translation by Edward R. Reilly, second ed. London: Faber and Faber Ltd, 2010. PDF e-book.
- Schulenberg, David. The Keyboard Music of J. S. Bach. New York: Routledge, 2006.
- Stauffer, George B. “Changing issues of performance practice.” In The Cambridge Companion to Bach, edited by John Butt, 260-277. Cambridge: Cambridge University Press, 2010.
- Talle, Andrew. “Nürnberg, Darmstadt, Köthen: Neuerkenntnisse zur Bach-Überlieferung in der ersten Hälfte des 18. Jahrhnderts.” Bach-Jahrbuch, no. 89 (2003):143-172.
- Tomita, Yo. “Manuscript.” In The Routledge Research Companion to Johann Sebastian Bach, edited by Robin A. Leaver, 47-88. New York: Routledge, 2017.
- Webster, James. “The triumph of variability: Haydn’s articulation markings in the autograph of Sonata No. 49 in E flat.” In Haydn, Mozart, & Beethoven: Studies in the Music of the Classical Period. Essays in Honour of Alan Tyson, edited by Sieghard Brandenburg. Oxford: Clarendon Press, 1997.
- Wollny, Peter. “Ein ‘musikalischer Veteran Berlins’: Der Schreiber Anonymus 300 und seine Bedeutung für die Berliner Bach-Überlieferung.” Jahrbuch des Staatlichen Instituts für Musikforschung, 38 (1995): 80-113.
- Yearsley, David. “Keyboard Music.” In The Routledge Research Companion to Johann Sebastian Bach, edited by Robin A. Leaver, 295-316. New York: Routledge, 2017.
Kan je weten hoe een klassieke componist zijn muziek heeft bedoeld? [deel 5]

Wat zou Johann Sebastian Bach zelf vinden van de uitvoeringen van zijn muziek vandaag? Het is een intrigerende vraag. Ton Koopman, een van de grootste Bach-specialisten, hoopt dat Bach zijn werk zou goedkeuren. Hij zegt in een interview: “Ik denk dat ik op 30, hoogstens 40 procent zit. Ik zou al blij zijn, mocht Bach ooit een uitvoering van me horen, dat hij zou zeggen: ‘Jongen, je zit aardig in de buurt.’”
Elke muzikant wil graag weten hoe Bach zijn muziek bedoeld heeft. De noten geven wel informatie, maar om een vollediger beeld te krijgen, zijn ook historische bronnen nodig. Vervolgens moeten deze bevindingen in de praktijk getest worden.
In deze blogserie ‘klassieke muziek spelen’ heb je kunnen lezen dat de historically informed performance (HIP) al decennia deze vragen onderzoekt. 4 kernvragen keren steeds terug. Een van de belangrijkste is: Wat waren de bedoelingen van de componist? Dit 5e blog gaat in op deze vraag, ook wel bekend als de zoektocht naar ‘auteursintentie’.
Hoe ontdek je die intenties? En welke uitdagingen kom je tegen? Dat bespreken we hier.
Wat waren de bedoelingen van de componist?
Deze vraag maakt deel uit van een breed muziekfilosofisch debat met uiteenlopende visies. Sommige muzikanten vinden het zinloos om deze vraag via historisch onderzoek te beantwoorden, omdat elke interpretatie van Bach vooral je eigen aannames weerspiegelt. Anderen geloven juist dat goed onderzoek onfeilbare antwoorden kan geven over Bachs bedoelingen. Beide standpunten zijn echter vrij extreem.
De eerste visie kan leiden tot een relativistische benadering, waarin elke uitvoering even geldig is, zonder enige historische grondslag. De tweede is te definitief en negeert de grenzen en uitdagingen van muziekwetenschappelijk onderzoek. De waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden. In dit blog wordt dieper ingegaan op deze discussie.

J. S. Bach (bron: Photos.com/Getty Images)
3 problemen voor het achterhalen van J. S. Bachs bedoelingen
Om deze discussie te verhelderen, worden drie problemen en drie nuanceringen besproken. Elk van deze kwesties biedt op zichzelf voldoende materiaal voor een uitgebreid boek. Dit blog geeft echter slechts een kleine inkijk in de complexiteit van het vraagstuk. Definitieve antwoorden zijn niet het doel, maar wel inzichten die stof tot nadenken bieden.
Probleem 1: Geen toegang tot Bachs intenties
“Je kan Bach niet interviewen over hoe hij iets heeft bedoeld.”
Er is een discussie mogelijk over de vraag of het echt nodig is om te weten wat Bach precies bedoelde om zijn muziek goed te begrijpen. Een componist hoeft namelijk niet altijd de enige te zijn die bepaalt hoe zijn muziek moet worden opgevat. Iedereen kan vanuit eigen smaak en voorkeur de muziek op een eigen manier interpreteren.
Maar stel dat we toch aannemen dat Bachs bedoelingen belangrijk zijn voor hoe je zijn muziek speelt en begrijpt. Dan stuiten we op een groot probleem: we hebben geen directe toegang tot Bachs gedachten. Hij leeft niet meer, dus we kunnen hem niet vragen wat hij precies bedoelde. Het enige wat overblijft, is het bestuderen van historische documenten. En ook die bronnen bekijken we altijd vanuit onze eigen blik en ideeën. We nemen onze eigen aannames en overtuigingen mee in het onderzoek, bewust of onbewust.
Hierdoor kun je je afvragen: zijn we in Bach-onderzoek niet vooral bezig onze eigen gedachten en aannames te ontdekken?
Probleem 2: Geen handboeken van Bach
“Bach did not, it is true, occupy himself with deep theoretical speculations on music.”
– C. P. E. Bach
Naast het ‘intentie-probleem’ is er ook het gebrek aan bronnen. We beschikken over weinig directe teksten van Bach zelf. Er zijn geen traktaten of handboeken waarin hij zijn opvattingen over muziek systematisch heeft vastgelegd (Marshall 1989, 255). De reden hiervoor is onbekend.
Misschien had hij er geen tijd voor, zoals zijn zoon Carl Philipp Emanuel Bach schreef aan Bachs biograaf J. N. Forkel: “With his many activities he hardly had time for the most necessary correspondence, and accordingly would not indulge in lengthy written exchanges.” (NBR V, nr. 395).
In Bachs obituarium staat ook: “Bach did not, it is true, occupy himself with deep theoretical speculations on music, but was all the stronger in the practice of the art.” (NBR III, nr. 306).
Zelfs wanneer er voldoende bronnen zouden zijn, blijft het moeilijk om de bedoeling van iemand te begrijpen zonder de persoon zelf te spreken. Het gebrek aan bronnen maakt deze taak echter nog uitdagender.

C. P. E. Bach (bron: Wikimedia Commons)
Probleem 3: Interpreteren van bronnen van Bachs tijdgenoten
“Vanuit de opvattingen van tijdgenoten trekken we conclusies over Bach zelf. Die interpretatie-werkwijze is natuurlijk niet zonder problemen.”
Als er geen directe bronnen van Bach beschikbaar zijn, moeten andere bronnen worden geraadpleegd, meestal van tijdgenoten. Vanuit de opvattingen van tijdgenoten trekken we conclusies over Bach zelf. Die interpretatie-werkwijze is natuurlijk niet zonder problemen.
Neem bijvoorbeeld de vraag wat Bach bedoelde met de tempo-aanduiding ‘allegro’. Vaak denken onderzoekers: ‘Er is een traktaat van tijdgenoot X waarin wordt uitgelegd wat allegro betekent. Dus Bach moet dat ook zo hebben bedoeld.’
Deze redenering is echter vol aannames. Bach kan aan een gangbaar woord, zoals allegro, een eigen betekenis hebben gegeven. Hierdoor wordt het lastig om zijn unieke interpretatie te begrijpen.
Daarnaast is het ook belangrijk om te beseffen dat de tijdgenoot X zelf misschien niet zo eenvoudig te interpreteren is. Ook daar loop je tegen vergelijkbare problemen aan. Zo stapelen de interpretaties zich op, en wordt het steeds moeilijker om de oorspronkelijke bedoeling te achterhalen.
Hoe kan je omgaan met het auteursintentie-probleem in Bach-onderzoek?
De bovengenoemde problemen kunnen niet zomaar worden genegeerd; ze verdienen aandacht en overweging. Hoewel er veel punten zijn waarover consensus kan bestaan, blijft het de vraag welke definitieve conclusies hieruit kunnen worden getrokken.
Hoewel deze problemen niet volledig oplosbaar zijn, is het mogelijk om enkele nuances aan te brengen.Nuancering 1: We hebben bronnen van J. S. Bach die belangrijke informatie bieden
Eerst een kleine nuance: het is niet zo dat er helemaal geen bronnen van Bach zelf beschikbaar zijn. Er bestaan manuscripten en tekstbronnen die belangrijke informatie bieden voor de uitvoeringspraktijk.
Autografen van J. S. Bachs bladmuziek
“Een kunstwerk zegt op zichzelf iets over de maker.”
Er zijn verschillende oorspronkelijke manuscripten van Bachs bladmuziek, bekend als de ‘autografen’, die door Bach zelf zijn geschreven. Deze muziekstukken bieden inzicht in Bachs compositiestijl, instrumentkeuze, genres, en de bouwstenen van melodie en harmonie. Ook aspecten zoals improvisatie, versieringen en de plaatsing van bogen worden zichtbaar.

Manuscript van Bachs ‘Inventie nr. 3’ (met bogen)
Documenten van J.S. Bach
Er zijn verschillende aanvullende tekstdocumenten van Bach zelf, waaronder korte brieven, inleidingen op muziekstukken, testimonials voor andere muzikanten, afschriften en inboedeloverzichten.
Een waardevol standaardwerk waarin al deze bronnen zijn gebundeld, is *The New Bach Reader* (NBR), wat sterk aanbevolen wordt voor een diepgaander inzicht in Bachs werk.
Inboedeloverzichten zijn bijzonder belangrijk omdat ze inzicht geven in de specifieke instrumenten die Bach bezat. Kennis van zijn instrumenten is cruciaal voor het begrijpen van uitvoeringsmogelijkheden. Dit beïnvloedt bijvoorbeeld hoe luid of zacht een instrument kan klinken, wat helpt bij het bepalen van volumemarges. Daarnaast biedt deze informatie inzicht in speelwijzen (zoals legato en staccato) en hoe lang een toon doorklinkt na het aanslaan, evenals andere geluidsaspecten. Deze kennis is bepalend voor een accurate interpretatie.
Bach vermeldt in zijn brieven soms ook bezettingen voor een stuk (NBR II, nr. 151). Hierdoor is het mogelijk om te achterhalen hoeveel muzikanten hij in een orkest voor zijn composities in gedachten had, evenals de vereisten voor het gebruik van mannen, vrouwen, jongens of meisjes. Ook geeft het aanwijzingen over de indeling en plaatsing van instrumentalisten en vocalisten op het podium.
Kanttekening
Hoewel er niet veel bronnen beschikbaar zijn, is het belangrijk te erkennen dat de informatie die zij bieden ook beperkingen kent.
Als Bach een bepaalde orkestbezetting gebruikte, zegt dat nog niet definitief iets over zijn eigen wensen of voorkeuren. Hij moest soms werken met de middelen die hij had. Het is goed mogelijk dat hij liever meer muzikanten had gehad of dat hij hogere kwaliteit muzikanten wenste, zodat hij moeilijkere partijen kon componeren.
In zijn memorandum van 1730 uitte Bach zijn frustraties over de kwaliteiten en beperkingen van zijn muzikanten en vocalisten (Marshall 1989, 232).

Bachs memorandum uit 1730 (bron: NBR II, nr. 151)
Nuancering 2: Je ‘bias’ is geen gevangenis
“de antwoorden die worden gevonden, beïnvloeden ook de manier waarop iemand naar de wereld kijkt.”
Bij het bestuderen van Bachs muziek of literatuur zijn persoonlijke opvattingen onvermijdelijk. Iedereen heeft een eigen referentiekader, ook wel een ‘horizon’ genoemd. Deze horizon is gevuld met waarden en overtuigingen die bepalen hoe iets wordt geïnterpreteerd. Dit wordt soms ‘vooringenomenheid’ of ‘bias’ genoemd.
Toch is deze vooringenomenheid niet beperkend. De horizon is niet statisch; hij kan zich ontwikkelen. Wat men ontdekt in de muziek of literatuur kan de eigen horizon verruimen. Dit is een interactief proces: de antwoorden die worden gevonden, beïnvloeden ook de manier waarop iemand naar de wereld kijkt.
Wanneer iemand nieuwe dingen leert of zijn of haar kennis aanpast op basis van een tekst, betekent dit dat de horizon veranderd is. Als er geen veranderingen zouden optreden, zou men vastzitten in dezelfde ideeën.
Onderzoek toont aan dat het mogelijk is om deze vooringenomenheid te veranderen, bijvoorbeeld door gesprekken met mensen die anders denken (Mercier & Sperber, 2011; Mercier 2017, 109-110).
Hieruit blijkt dat het mogelijk is om je horizon te verruimen. Dit ondersteunt de waarde van Historically Informed Performance (HIP) onderzoek.
Nuancering 3: J. S. Bach is net als iedereen een product van zijn tijd
Een eerder genoemd probleem is dat veel redeneringen over Bachs bedoelingen op de volgende manier verlopen: ‘We hebben een traktaat X van een belangrijke tijdgenoot Y. Hij/zij zegt dat allegro dit of dat kan betekenen. Dus Bach moet allegro ook zo hebben bedoeld.’
Hoewel deze gedachtegang geen absolute zekerheden biedt, betekent dit niet dat de werkwijze onredelijk of ongegrond is. Deze benadering is een standaard methodische vooronderstelling in historisch en tekstwetenschappelijk onderzoek.
Bach is een product van zijn tijd
Bach is grotendeels een product van zijn tijd en zijn omgeving. Hij maakt gebruik van gangbare begrippen en ideeën, vertrekkend vanuit gemeenschappelijke waarden en overtuigingen. Dit inzicht geeft context en betekenis aan Bachs muziek.

J. G. Walthers Musikalisches Lexikon, 1732 (bron: Amazon.com)
Conclusie
“Useful answers [in Bach studies] are likely to be framed in terms of probabilities and possibilities, not absolute black and white dogmas.”
– David Schulenberg
Iedere musicus wil graag begrijpen hoe Bach zijn muziek bedoelde, en HIP-muzikanten zijn daar al lange tijd mee bezig. Dit onderzoek brengt echter problemen en grenzen met zich mee.
Bij Bach-onderzoek worden verschillende gegevens geïnterpreteerd en gecombineerd, wat afhankelijk is van aannames en methoden die soms betwist worden. Bovendien kunnen Bach en zijn tijdgenoten verschillende opvattingen hebben, wat de zekerheid over definitieve uitspraken vermindert. Zoals Bach-specialist Barthold Kuijken terecht opmerkt: “The more we study the old sources, the more it becomes obvious that there is not a unique historical truth, valid for all times, places, styles, genres, and composers” (Kuijken 2013, 4).
Toch zijn er wel degelijk conclusies te trekken, vaak met een hoge waarschijnlijkheid. Hoewel het moeilijk kan zijn om de meest juiste interpretatie vast te stellen, kunnen onwaarschijnlijke interpretaties vaak worden uitgesloten. Dit schept duidelijke kaders voor artistieke interpretatie.
De historically informed practice biedt richtlijnen en een weloverwogen aanpak om Bachs muziek te interpreteren, maar het blijft belangrijk om te denken in termen van waarschijnlijkheden. Zoals David Schulenberg stelt: “Useful answers [in Bach studies] are likely to be framed in terms of probabilities and possibilities, not absolute black and white dogmas” (Schulenberg 2006, 11).
Met deze nuances in gedachten, kan historische informatie zeker helpen om beter te begrijpen hoe Bach het mogelijk of waarschijnlijk bedoeld heeft.
Literatuur
- Bach Digital voor oorspronkelijke manuscripten (autografen). Beschikbaar via https://www.bach-digital.de/content/index.xed;jsessionid=3E26BBD15CA3B5E409530E7D497B41DC?lang=en
- David, Hans T. and Arthur Mendel. The New Bach Reader: A Life of Johann Sebastian Bach in Letters and Documents. Revised and enlarged by Christoph Wolf. New York: Norton, 1998. Afgekort NBR.
- Koopman, Ton. Oratie: Authenticiteit in de historische uitvoeringspraktijk. Universiteit Leiden, 2008.
- Kuijken, Barthold. The Notation is not the Music: Reflections on Early Music Practice and Performance. Indiana: Indiana University Press, 2013.
- Marshall, Robert L. The Music of Johann Sebastian Bach: The Sources, The Style, The Significance. New York: Schirmer Books, 1989.
- Mercier, Hugo. “Confirmation Bias.” In R. F. Pohl, Cognitive illusions: Intriguing phenomena in thinking, judgment and memory, second edition. London and New York: Routledge, 2017.
- Mercier, Hugo and Dan Sperber (2011). Why do humans reason? Arguments for an argumentative theory. Behavioral and Brain Sciences, 34(2), 57–74. Beschikbaar via https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/21447233.
- Schulenberg, David. The Keyboard Music of J. S. Bach. New York: Routledge, 2006
- Voermans, Erik. “Dirigent Ton Koopman: ‘Ik ken geen slechte stukken van Bach’.” Parool, 13 oktober, 2019. Beschikbaar via https://www.parool.nl/nieuws/dirigent-ton-koopman-ik-ken-geen-slechte-stukken-van-bach~b77b7690/
15 bekende HIP barokorkesten [deel 4]

De muziek van Johannes Sebastian Bach (1685-1750) fascineert me al jaren. In mijn blogserie ‘klassieke muziek interpreteren’ neem ik je mee in mijn ontdekkingsreis naar Bachs muziek. De hoofdvraag die mij bezighoudt is hoe je zijn muziek kan interpreteren en spelen. Niet alleen vanuit je persoonlijke smaakvoorkeuren. Maar ook vanuit muziekwetenschappelijke inzichten. Ik deel met jou de belangrijkste muziekwetenschappelijke resultaten vanuit de HIP-benadering: Historically informed performance. Het vakgebied dat zich al decennia lang met de bovenstaande vraag bezighoudt.
In mijn vorige blog (deel 3) deelde ik 10 luistertips met bekende toetsenspelers in de muziekwereld van de HIP. Nu in deel 4 gaan we kijken naar 15 bekende HIP-orkesten. Allemaal grote namen in de HIP-wereld.
N.B. Voor een overzicht van alle blogs in de serie, klik eerst op harmanusmusic.com/blog en daarna sectie ‘klassieke muziek’.
Waarom dit overzicht met HIP-orkesten?
Allereerst maak je kennis met de belangrijkste musici binnen de HIP-wereld. Nog belangrijker is het ontdekken van persoonlijke muzikale voorkeuren en interpretaties.
Daarom is bewust gekozen voor één specifiek werk: J. S. Bachs ‘Brandenburgs Concerto nr. 5 in D majeur’ (BWV 1050). Door dezelfde compositie in verschillende uitvoeringen te beluisteren, kunnen de interpretaties gemakkelijker vergeleken worden. Let daarbij op de keuzes die de musici maken met betrekking tot tempo, articulatie en volume.
Ontdek welke uitvoering jou het meest aanspreekt.
Waarom deze selectie van HIP-orkesten?
Als de vraag rijst waarom juist deze musici zijn gekozen, is het antwoord eenvoudig. Ze voldoen aan twee criteria: ze zijn toonaangevend in de HIP-wereld en hebben opnames van hetzelfde Bach-stuk op YouTube. De selectie is dus vooral gebaseerd op praktische overwegingen, zonder een oordeel te vellen over wie de meest “authentieke” of beste uitvoering biedt. Het is aan jou om te ontdekken welke interpretatie jou het meest aanspreekt.
Bladmuziek J. S. Bachs ‘Brandenburgs Concerto nr. 5’ (BWV 1050)
Bij het luisteren naar klassieke muziek, vooral bij het vergelijken van verschillende uitvoeringen, is het nuttig om de bladmuziek erbij te hebben. Download hier een ‘BG-editie’ van het muziekstuk, aangezien een ‘NBA-editie’ helaas niet online beschikbaar is.
Voor meer informatie over de BG en NBA, lees het blog ‘Introductie historische uitvoeringspraktijk’.
15 bekende HIP-orkesten voor J. S. Bachs muziek
De 15 orkesten en ensembles op volgorde zijn: Leonhardt Consort (Gustav Leonhardt), Amsterdam Baroque Orchestra & Choir (o.l.v. Ton Koopman), Dunedin Consort (John Butt), Concentus Musicus Wien (Nikolaus Harnoncourt), Nederlandse Bachvereniging (Shunske Sato), La Petite Bande (Sigiswald Kuijken), Orkest van de 18e-eeuw (Frans Brüggen), Taverner Consort and Players (Andrew Parrott), Academy of Ancient Music (Christopher Hogwood), The English Concert (Trevor Pinnock), English Baroque Soloists (Sir John Eliot Gardiner), Musica Antiqua Köln (Reinhard Goebel), Australian Brandenburg Orchestra, Das Freiburger Barockorester en Musica Amphion (Pieter-Jan Belder).
1. ‘Leonhardt Consort’ (Gustav Leonhardt)
Het Nederlandse ensemble ‘Leonhardt-Consort’, ook wel bekend als het ‘Leonhardt Baroque Ensemble’, werd in 1955 opgericht door Gustav Leonhardt (1928-2012). Leonhardt was een invloedrijke dirigent, organist, klavecinist, musicoloog en docent aan het Conservatorium van Amsterdam. Het ensemble was actief tot 1990 en is vooral bekend vanwege het baanbrekende project waarin de complete Bach cantates werden opgenomen, een pionierswerk op het gebied van historisch-geïnformeerde uitvoeringen.
Leonhardt’s invloed op de barokmuziek is enorm. Veel van zijn leerlingen zijn zelf vooraanstaande klavecinisten geworden, waaronder Ton Koopman, Robert Hill, John Butt, Bob van Asperen, Philippe Herreweghe, Christopher Hogwood, Andreas Staier en Richard Egarr.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
2. ‘Amsterdam Baroque Orchestra & Choir’ (Ton Koopman)
Het Nederlandse orkest ‘Amsterdam Baroque Orchestra’ is in 1979 opgericht door Ton Koopman (1944). Koopman is dirigent, organist, klavecinist, docent aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag en emeritus professor aan Universiteit Leiden voor oude muziek. De oprichting van het ‘Choir’ volgde in 1992. Hun grootste project is natuurlijk de opname van alle Bach-cantates. Ze wonnen verschillende prijzen zoals ‘The Gramophone Award’, ‘Diapason d’or’, ‘10-Repertoire’, ‘Stem des Monats-Fono Forum’, de ‘Prix Hector Berlioz’ en twee ‘Edison Music Awards’. Bezoek hun website.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
3. ‘Dunedin Consort’ (John Butt)
Het Schotse ensemble ‘Dunedin Consort’ is in 1995 opgericht en wordt sinds 2003 gedirigeerd door John Butt (1960). Butt is dirigent, organist, klavecinist en ‘Gardiner Chair of Music’ aan de University of Glasgow. Hij heeft belangrijke muziekwetenschappelijke publicaties over Bach op zijn naam. Het Dunedin Consort won onder Butts leiding verschillende prijzen zoals tweemaal ‘The Gramophone Award’ en een ‘Grammy-nomination’. Het ensemble werd in 2018 voorgedragen voor de ‘Royal Philharmonic Society Award’. Bezoek hun website.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
4. ‘Concentus Musicus Wien’ (Nikolaus Harnoncourt)
Het Oostenrijkse orkest ‘Concentus Musicus Wien’ is in 1953 opgericht o.a. door dirigent en cellist Nikolaus Harnoncourt (1929-2016). De huidige concertmeester is Erich Höbarth. Harnoncourt en zijn CMW deden 4 jaar onderzoek inclusief repetities vóórdat ze hun eerste officiële concert gaven. Zij waren baanbrekend en deden pionierswerk als het gaat om ‘historisch-geïnformeerde’ optredens. Bezoek hun website (niet beschikbaar!).
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
5. ‘Nederlandse Bachvereniging’ (Shunske Sato)
De ‘Nederlandse Bachvereniging’ is in 1921 opgericht en werd gedirigeerd door Johan Schoonderbeek. De huidige artistiek leider is Shunske Sato (1984). Hij volgde in 2018 Jos van Veldhoven (1952) op. De Nederlandse Bachvereniging is het oudste Bach-ensemble in Nederland, mogelijk in de wereld. Geïnspireerd door Nikolaus Harnoncourt werd het ensemble steeds meer HIP na 1960. Bezoek hun website.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
6. ‘La Petite Bande’ (Sigiswald Kuijken)
Het Belgische ensemble ‘La Petite Bande’ is in 1972 opgericht en wordt gedirigeerd door violist Sigiswald Kuijken (1944). De muzikanten kwamen in eerste instantie bij elkaar voor opnames o.l.v. Gustav Leonhardt. Naderhand gaven ze talloze concerten in Europa en vestigden ze zich in Leuven. Twee ensemble-leden zijn de broers van Kuiken, namelijk Wieland en Barthold. Ze richten zich oorspronkelijk op Franse barokmuziek. De ‘gebroeders Kuijken’ is een gevestigde naam in de HIP-wereld. Bezoek hun website.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
7. ‘Orkest van de 18e eeuw’ (Frans Brüggen)
Het Nederlandse ‘Orkest van de Achttiende Eeuw’ – ook wel Orchestra of the Eighteenth Century – is in 1981 opgericht en werd tot 2014 gedirigeerd door (blok)fluitist Frans Brüggen (1934-2014). Ze ontvingen verschillende internationale prijzen, de ‘Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs 2010’ en de ‘VSCD-prijs “De Ovatie” 2018’. Bezoek hun website.
8. ‘Taverner Consort and Players’ (Andrew Parrott)
Het Britse ensemble ‘Taverner Consort and Players’ is in 1973 opgericht door dirigent en muziekwetenschapper Andrew Parrott (1947). Het ensemble wordt gedirigeerd door violist en musicoloog John Holloway (1948). Holloway startte met het spelen op een barokviool na een ontmoeting met Sigiswald Kuijken in 1972.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
9. ‘Academy of Ancient Music’ (Christopher Hogwood)
Het Britse orkest ‘Academy of Ancient Music’ is in 1973 opgericht door klavecinist Christopher Hogwood (1941-2014). Hogwood heeft als dirigent gestudeerd bij o.a. Gustav Leonhardt. Tegenwoordig is dirigent en klavecinist Richard Egarr (1963) de muzikaal leider. Egarr begon zich in de HIP te verdiepen na een ontmoeting met Leonhardt. Bezoek hun website.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
10. ‘The English Concert’ (Trevor Pinnock)
Het Britse ensemble ‘The English Concert’ is in 1972 opgericht en werd 30 jaar lang gedirigeerd door klavecinist Trevor Pinnock (1946). De huidige dirigent is klavecinist Harry Bicket (1961). Bezoek hun website.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
11. ‘English Baroque Soloists’ (Sir John Eliot Gardiner)
Het Britse ensemble ‘English Baroque Soloists’ is in 1978 opgericht en wordt gedirigeerd door Sir John Eliot Gardiner (1943). Bezoek hun website.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
12. ‘Musica Antiqua Köln’ (Reinhard Goebel)
Het Duitse ensemble ‘Musica Antique Köln is in 1973 opgericht en werd gedirigeerd door Reinhard Goebel (1952). Ze wonnen diverse onderscheidingen waaronder ‘Grand Prix International du Disque’, de ‘Gramophone Award’, de ‘Diapason d’or’ en ‘Grammy nominaties’. Na 30 jaar zijn ze in 2007 opgeheven.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
13. ‘Australian Brandenburg Orchestra’ (Paul Dyer)
Het Australische ensemble ‘The Australian Brandenburg Orchestra’ is in 1989 opgericht en wordt gedirigeerd door klavecinist Paul Dyer. Dyer studeerde na zijn conservatoriumstudie onder Bob van Asperen (1947) een leerling van Gustav Leonhardt. Bezoek hun website. Wegens gebruikersrechten kan ik de video niet op dit blog embedden.
14. ‘Das Freiburger Barockorchester’
Het Duitse orkest ‘Das Freiburger Barockorchester’ is in 1987 opgericht. Bezoek hun website. Wegens gebruikersrechten kan ik de video niet op dit blog embedden. Luister het 5e concerto op YouTube. Het begint bij 57:26 min.
15. Musica Amphion (Pieter-Jan Belder)
Het Nederlandse enbemble ‘Musica Amphion’ is op gericht door Pieter-Jan Belder (1966). Belder is Nederlandse klavecinist, blokfluitist, organist, fortepianist en een leerling van Bob van Asperen. Bezoek hun website.
J. S. Bach: Brandenburgs Concerto 5 (BWV 1050)
Deel je ontdekking
Hopelijk heeft deze benadering van muziekvergelijking tussen verschillende uitvoeringen en artiesten je inzicht gegeven in de uiteenlopende interpretaties van Bachs werk. Misschien heb je inmiddels een duidelijker beeld gekregen van je eigen muziekvoorkeuren en welke interpretaties van de barokorkesten je het meest aanspreken.
In het volgende blog zoomen we in op de vraag: Is het mogelijk om te achterhalen hoe Bach zijn muziek heeft bedoeld? Wat zijn de methoden om dit te doen en welke obstakels kunnen zich daarbij voordoen? Lees verder: ‘Kun je weten hoe een klassieke componist zijn muziek heeft bedoeld?‘
10 bekende HIP-klavecimbelspelers [deel 3]

Waarom dit overzicht met HIP-klavecimbelspelers?
Allereerst biedt dit overzicht een kennismaking met de belangrijkste namen binnen de HIP-wereld van muzikanten. Maar het tweede doel is minstens zo belangrijk: het helpen ontdekken van muzikanten en interpretaties die persoonlijk aanspreken.
Daarom is er bij elke muzikant bewust gekozen voor hetzelfde muziekstuk: J.S. Bachs ‘Goldberg Variaties’ (BWV 988). Door verschillende uitvoeringen van ditzelfde stuk te beluisteren, wordt het eenvoudiger om de interpretaties met elkaar te vergelijken. Let daarbij op de verschillen in tempo, versieringen, articulatie, volume, en de stemming van het instrument. Zo kan je ontdekken wat je het meest aanspreekt.
Waarom deze selectie van HIP-klavecimbelspelers?
Mocht de vraag opkomen waarom juist deze muzikanten zijn geselecteerd, het antwoord is eenvoudig. De meeste van hen voldoen aan twee belangrijke criteria: ze hebben een gevestigde naam binnen de HIP-wereld én er zijn opnames van hen beschikbaar op YouTube van hetzelfde muziekstuk van J.S. Bach.
De selectie is dus puur praktisch van aard, zonder een oordeel te vellen over wie de beste is. Dat blijft aan de luisteraar om te ontdekken.
Bladmuziek J. S. Bachs ‘Goldberg variaties: Aria’ (BWV 988)
Wanneer je klassieke muziek beluistert, vooral wanneer je verschillende artiesten vergelijkt, is het nuttig om de bladmuziek erbij te hebben. Hieronder staat een verwijzing naar de Neue Bach Ausgabe-editie van de Goldberg Variaties.
Voor meer over de NBA-editie, lees het blog ‘Introductie historische uitvoeringspraktijk’.

‘NBA-editie’ bij Baerenreiter
Aanwijzingen voor bij het luisteren en vergelijken
Bij het luisteren naar de ‘Aria’ uit de Goldberg Variaties is het nuttig om de eerste 5 tot 8 maten te bestuderen, wat neerkomt op ongeveer 30 seconden. In dit korte fragment maken klavecinisten al verschillende keuzes. Sommigen kiezen voor een langzamer tempo en spelen de partijen van beide handen niet synchroon, terwijl anderen de eerste of derde tel van de maat extra benadrukken.
Er zijn ook verschillen in de stemming van het klavecimbel; sommige uitvoeringen klinken een toon hoger of lager. Daarnaast varieert het gebruik van versieringen: sommigen voegen extra ornamenten toe, anderen laten juist noten weg.
Deze aanwijzingen helpen bij het beter horen van de subtiele verschillen in interpretatie.
10 bekende HIP-klavecimbelspelers voor J. S. Bachs muziek
De 10 klavecinisten op volgorde zijn: Gustav Leonhardt, Ton Koopman, Bob van Asperen, Robert Hill, Igor Kipnis, Pieter-Jan Belder, Trevor Pinnock, Andreas Staier, Colin Tilney en Skip Sempé.
1. Gustav Leonhardt (1928-2012)
Gustav Leonhardt (1928-2012) was een Nederlandse klavecinist, organist, dirigent, musicoloog en klavecimbeldocent aan het Conservatorium van Amsterdam. Eén van de grondleggers van de HIP. Hij richtte zijn eigen ensemble het ‘Leonhardt Consort’ op en met Sigiswald Kuijken het ‘La Petite Bande’. Beroemd zijn de opnames rond 1970 van alle Bach-cantates, die hij opnam met Nikolaus Harnoncourt.
Leonhardts invloed in de barokwereld is immens. Veel van zijn leerlingen zijn zelf beroemde klavecinisten geworden. Ik noem o.a. Ton Koopman, Robert Hill, John Butt, Bob van Asperen, Philippe Herreweghe, Christopher Hogwood, Andreas Staier en Richard Egarr.
Wat valt op?
Leonhardts klavecimbelstijl is meer sober en strak in vergelijking met die van zijn leerling Ton Koopman. Bijvoorbeeld als het gaat om versieringen en tempo. In de Aria speelt hij de trillers snel, zonder veel vertragingen. Ook spelen beide handen redelijk synchroon, niet teveel afwijking tussen melodienoot en basnoot.
J. S. Bach: Goldberg variaties (BWV 988)
2. Ton Koopman (1944)
Ton Koopman (1944) is een Nederlandse klavecinist, organist, dirigent en musicoloog. En een leerling van Gustav Leonhardt. Hij werkte als klavecimbeldocent aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag en is emeritus professor aan Universiteit Leiden. Hij richtte in 1979 zijn orkest ‘Amsterdam Baroque Orchestra’ op en het bijbehorende ‘Amsterdam Baroque Choir’ in 1992. Bezoek zijn website.
Wat valt op?
Koopmans interpretatie is meer ‘versierd’ en minder sober dan die van Gustav Leonhardt. In de Aria speelt hij de trillers minder scherp en snel. Luister bijvoorbeeld naar maat 3, de triller op de de toon ‘g’. Veel ruimer in tijd gespeeld dan Leonhardt. In maat 5 vertraagt hij de eerste tel veel meer dan Leonhardt. Een typisch voorbeeld van ’tempo rubato’ (vrijer tempo).
J. S. Bach: Goldberg variaties (BWV 988)
3. Bob van Asperen (1947)
Bob van Asperen (1947) is een Nederlandse klavecinist, organist en dirigent. En een leerling van Gustav Leonhardt. Hij werkte als klavecimbeldocent aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag en Conservatorium van Amsterdam.
Wat valt op?
Van Asperen begint de Aria ietwat langzamer in tempo dan Leonhardt en Koopman. Hij speelt beide handen op tel 3 van maat 1 meer synchroon. De 16de noten in maat 4 zijn wat minder scherp in ritme dan Leonhardt.
J. S. Bach: Goldberg variaties (BWV 988)
4. Robert Hill (1953)
Robert Hill (1953) is een Amerikaanse klavecinist, pianist en een leerling van Gustav Leonhardt. Hij werkte op de Hochschule für Musik Freiburg en is klavecimbeldocent aan de University of Colorado Boulder College of Music. Zijn Ph.D. over Bach behaalde hij aan Harvard University.
Wat valt op?
Het eerste wat opvalt is dat Hill een compleet nieuw intro ‘improviseert’! De Aria begint pas bij 02:40 min. Hij gebruikt veel tempo rubato. Al meteen in maat 2 een versnelling, evenals in maat 5. En zijn versiering in maat 3 wijkt erg af van Leonhardt, Koopman en Van Asperen.
J. S. Bach: Goldberg variaties (BWV 988)
5. Igor Kipnis (1930-2002)
Igor Kipnis (1930-2002) was een Amerikaanse klavecinist, pianist en dirigent. Hij heeft belangrijke publicaties over het klavecimbel op zijn naam.
Wat valt op?
Kipnis’ interpretatie wijkt tot nu toe nog het meeste af. Hij laat erg veel noten weg. Met name versieringsnoten. Bijvoorbeeld de ‘voorslagen’ (korte noten) in maat 2 en 6. De triller in maat 3. De 16de noten in maat 4. En zijn tempo is vrij ‘doorgaand’, zonder al teveel tempo rubato. Wat verder direct opvalt is de stemming van zijn klavecimbel. Een toon hoger gestemd dan Leonhardt, Koopman en Van Asperen.
J. S. Bach: Goldberg variaties (BWV 988)
6. Pieter-Jan Belder (1966)
Pieter-Jan Belder (1966) is een Nederlandse klavecinist, blokfluitist, organist, fortepianist en een leerling van Bob van Asperen. Hij richtte het ensemble ‘Musica Amphion’ op. Bezoek zijn website.
Wat valt op?
Belder speelt de Aria minder vrij dan vorige 4 klavecinisten en blijft redelijk ‘dichtbij de noten’. Weinig tempoverschillen, erg synchroon tussen beide handen en niets opvallend aan de versieringen. Wat ook direct opvalt is dat hij zijn klavecimbel een toon lager heeft gestemd dan Leonhardt, Koopman en Van Asperen.
J. S. Bach: Goldberg variaties (BWV 988)
7. Trevor Pinnock (1946)
Trevor Pinnock (1946) is een Britse klavecinist en dirigent. Hij richtte het ‘The English Concert’ op. In 2003 nam hij na 30 jaar afscheid van het ensemble om zich meer te richten op het klavecimbel.
Wat valt op?
Pinnock speelt de Aria op een regelmatig tempo; vrijwel zonder tempo rubato. Geen extra versieringen dan die op het blad staan. En beide handen redelijk synchroon. Hij blijft dus ‘dichtbij de noten’.
J. S. Bach: Goldberg variaties (BWV 988)
8. Andreas Staier (1955)
Andreas Staier (1955) is een Duitse klavecinist en pianist. Hij was een klavecimbelsolist in het ensemble ‘Musica Antiqua Köln’. Bezoek zijn website.
Wat valt op?
Staier speelt op een wat hoger tempo dan zijn voorgangers. Zijn trillers en voorslagen zijn aan de snelle kant. Hij varieert in het ritme van de wat kortere noten (versieringen). Ook spelen beiden handen wat minder synchroon.
J. S. Bach: Goldberg variaties (BWV 988)
9. Colin Tilney (1933)
Colin Tilney (1933) is een Amerikaanse klavecinist, pianist en een leerling van Gustav Leonhardt. Ik heb van hem geen Goldberg opname op YouTube kunnen vinden. Wél de beroemde Toccata in E mineur (BWV 914). Vergelijk zijn interpretatie met die van Gustav Leonhardt.
J. S. Bach: Toccata in E mineur (BWV 914)
Leonhardts versie van Bachs ‘Toccata’
10. Skip Sempé (1958)
Skip Sempé (1958) is een Amerikaanse klavecinist en een leerling van Gustav Leonhardt. Hij richtte in 1986 het ‘Capriccio Stravagante’ op. Grote nadruk legt hij op ‘vrijheid in de interpretatie’. Hij brengt de Bachwereld meer nonchalance met zijn voorkomen als artiest. Ik heb van hem geen Goldberg opname kunnen vinden op YouTube. Daarom kies ik een opname van Bachs Ciaconna (BWV 1004). Vergelijk zijn interpretatie met die van Gustav Leonhardt.
J. S. Bach: Ciaccona, eigen bewerking van de Viool Partita (BWV 1004)
Leonhardts versie van Bachs ‘Ciaconna’
Deel je ontdekking
Hopelijk sprak deze benadering van muziekvergelijking tussen verschillende artiesten jou aan. Heb je ondertussen al meer zicht op je muziekvoorkeur? Voel je vrij je resultaten met mij te delen in een comment onderaan!
In mijn volgende blog deel ik 15 luistertips voor beroemde HIP-orkesten.
Introductie tot de Historische uitvoeringspraktijk [deel 2]

Hoe voer je J. S. Bach (1685-1750) uit vanuit zijn historische context? Noten op papier vertellen slechts een deel van het verhaal; om de muziek werkelijk te begrijpen, is het essentieel om de historische bronnen te verkennen en je inzichten in de praktijk uit te proberen.
Historically Informed Performance (HIP), of ‘Historische uitvoeringspraktijk’, is een vakgebied dat zich al jaren met deze vraag bezighoudt. Dit is essentieel voor het begrijpen van Bachs muziek en zijn tijd, en het is onmisbaar voor elke liefhebber en serieuze student van zijn werk.
In dit tweede deel van de blogserie ‘Klassieke muziek spelen’ wordt een helder overzicht gegeven van de belangrijkste inzichten rondom HIP-ontwikkelingen, resultaten en literatuurtips voor verder onderzoek.
Wat is kenmerkend voor de Historische uitvoeringspraktijk (Historically Informed Performance)?
Veel muzikanten beginnen vanuit alleen hun persoonlijke smaak en ervaring, vanuit wat intuïtief goed aanvoelt. Deze benadering houdt de focus op de eigen unieke stem, wat waardevol is, maar ook risicovol. Persoonlijke ervaringen zijn namelijk grotendeels gekleurd door de opvattingen van de eigen historische tijd, die sterk kunnen verschillen van die in Bachs tijd. Dit bewustzijn is cruciaal wanneer Bachs bladmuziek wordt bestudeerd of zijn muziek wordt beluisterd. Anders ontdekt men tijdens het instuderen en luisteren vooral de eigen (onbewuste) aannames.
Een HIP-muzikant start zijn interpretaties vanuit de muziekwetenschappelijke resultaten en niet enkel vanuit de eigen artistieke smaak. Dit betekent dat er veel moeite moet worden gedaan om de historische context van Bach en zijn muziek te ontdekken. Vanuit deze gegevens kunnen de stukken van Bach worden ingestudeerd en gespeeld. Op deze manier worden wetenschappelijke kennis, persoonlijke intuïtie en smaak samengebracht. Uiteindelijk is het doel om dichter bij de manier te komen waarop Bach het zou hebben bedoeld.
Vanaf mid-19e-eeuw groeit de interesse naar Bachs muziek
“Nineteenth-century musicians […] wished to bring Bach back to life as a born-again Beethoven.”
– George B. Stauffer
De 20e-eeuwse Historically Informed Performance (HIP) heeft een andere visie op Bachs muziek dan de muzikanten uit de 19e eeuw. Laatstgenoemden speelden Bach vooral volgens de smaak van hun eigen tijd, zonder historisch onderzoek naar de barokperiode te verrichten. Desondanks moet de bijdrage van deze muzikanten worden erkend. Hun inzet zorgde ervoor dat Bachs muziek weer populair werd en zijn werk opnieuw onder de aandacht kwam bij een breder publiek.
Daarom worden enkele ontwikkelingen rondom de hernieuwde interesse in Bachs muziek in de 19e eeuw kort belicht.
Bach uitvoeringen door bekende 19e-eeuwse componisten
Een bepalend moment in de muziekgeschiedenis is de uitvoering van Bachs werk door Felix Mendelssohn (1809-1847). In 1829 voerde deze componist de inmiddels beroemde Mattheüspassie uit. De term ‘nu’ is relevant, omdat Bachs muziek direct na zijn dood niet eens een tiende van de huidige populariteit genoot.

Czerny’s piano-editie van Bachs Inventies & Sinfonias
19e-eeuwse Bach transcripties en arrangementen (ook voor piano)
Veel componisten hebben ook transcripties en eigentijdse versies van Bachs muziek gemaakt. Hoewel deze versies niet voldoen aan de normen van de Historically Informed Performance, zijn ze zeker het beluisteren waard. Ze bevatten prachtig gemaakte muziek met creatieve vindingen!
Robert Schumann (1810-1856) componeert pianobegeleidingen voor Bachs solo ‘Viool Sonates’ en ‘Partita’s’ en zijn ‘6 Cello Suites’. Charles Gounod (1818-1893) pakt Czerny’s versie van Bachs ‘Prelude in C’ en schrijft er een melodie boven. En dan volgens de smaak van 19e-eeuwse kerkmuziek. Dat kennen we nu als het beroemde ‘Ave Maria’. Franz Liszt (1811-1886) en Ferruccio Busoni (1866-1924) arrangeren Bachs orgelmuziek en koralen voor piano. Ignaz Moscheles (1794-1870) vult de ‘Preludes’ uit Bachs ‘Well-tempered Clavier’ aan met nieuwe cello-melodieën. En Max Reger (1873-1916) componeert een derde melodielijn bij Bachs 2-stemmige ‘Inventies’ voor zijn orgeltrio ‘Schule des Triospiels’ in 1903.

Bachs Cello Sonate met pianobegeleiding
Aan creativiteit ontbreekt het zeker niet. Echter, deze ‘romantische’ uitvoeringen zijn voor HIP-muzikanten ongewenst. George B. Stauffer verwoordt dit als volgt: “Nineteenth-century musicians evinced little desire to return to Baroque performance practices. Instead, they wished to bring Bach back to life as a born-again Beethoven, as a Romantic colleague taking direct part in the music-making.” (Stauffer 2010, 60).
Daarom is verandering noodzakelijk. Bach moet worden uitgevoerd zoals ‘Bach het zou hebben bedoeld’. Voor HIP-muzikanten is er geen plaats meer voor Bach in een 19e-eeuws ‘romantisch’ jasje.
Historische uitvoeringspraktijk voor Bach: achtergrond en ontwikkelingen
“Hoe speel je Bach ‘zoals Bach het heeft bedoeld’?”
De kernvraag van de Historically Informed Performance (HIP) is eenvoudig: hoe speel je Bach ‘zoals Bach het heeft bedoeld’, en niet zoals het in de 19e eeuw werd gedaan?
Om hierop een antwoord te vinden, is het nodig om verschillende muziekgebieden tegelijk te onderzoeken. Dit houdt in dat je historische documenten en manuscripten bestudeert, en ook replica-instrumenten bouwt en uitprobeert. Dit vraagt om samenwerking tussen verschillende vakgebieden, zoals muziekwetenschappers, muziektheoretici, artiesten en instrumentenbouwers.
Deze ontwikkeling is al meer dan een eeuw aan de gang en heeft geleid tot interessante resultaten. Hieronder volgt een kort overzicht van de eerste pogingen vóór 1950 en de meer degelijke wetenschappelijke studies die na 1950 zijn gestart.
Het onderzoek naar J. S. Bachs muziek vóór 1950
Bach biografieën
Er ontstaan nieuwe Bach-biografieën door C. H. Bitter (1865) en P. Spitta (1873-1880) . Deze biografieën zijn nog 19e-eeuws gekleurd. Maar ze presenteerden voor het eerst documenten uit de archieven die iets over Bachs aanwijzingen voor muziekuitvoering bevatten.
Bach replica-instrumenten
Bachs muziek op klavecimbels spelen is tegenwoordig heel gebruikelijk, maar dat was niet het geval aan het begin van de 20e eeuw. Arnold Dolmetsch bouwde rond deze tijd de eerste kopieën van instrumenten uit Bachs periode, wat werkelijk pionierswerk was.
De beroemde pianist Wanda Landowska populariseerde rond 1912 het spelen van Bach op Pleyel-klavecimbels, vooral door haar vurige uitvoeringen. Hoewel haar aanpak mogelijk niet in lijn was met de principes van Historically Informed Performance, zorgde ze er wel voor dat het klavecimbel op de kaart werd gezet.
Dankzij deze muzikanten en instrumentenbouwers is het spelen van Bach op klavecimbel tegenwoordig heel gewoon.
Boeken over hoe je Bach moet spelen
De eerder genoemde klavecimbelbouwer Arnold Dolmetsch publiceerde in 1915 zijn baanbrekende werk The Interpretation of the Music of the XVII and XVIII Centuries. Dit boek geldt als een klassieker op het gebied van de historische uitvoeringspraktijk van barokmuziek. Dolmetsch baseerde zijn inzichten op traktaten en documenten uit Bachs tijd, wat een nieuwe benadering met zich meebracht.
Daarnaast werd er onderzoek gedaan naar de instrumenten die Bach gebruikte en de samenstelling van zijn ensembles. Dit omvatte vragen over het type instrumenten, het aantal instrumenten, en meer. Zie bijvoorbeeld de werken van C. S. Terry (1932) en Schering (1936, 1941).
Het gebruik van bronnen en archiefmateriaal voor het reconstrueren van Bachs uitvoeringspraktijk werd steeds gangbaarder. Wetenschappelijk gezien zijn er echter nog enkele tekortkomingen in deze benadering.
Bachs bladmuziek in Urtext-edities (C. F. Peters en de Bach-Gesellschaft)
Voor het eerst in de geschiedenis worden alle vroege manuscripten van een muziekstuk van Bach bestudeerd om één betrouwbare reconstructieversie te maken. Dit wordt een ‘kritische editie’ of Urtext genoemd. De uitgeverij C. F. Peters publiceert de complete orgelwerken, waarbij de onderzoeker Friedrich Conrad Griepenkerl echt pionierswerk verricht.
Daarnaast publiceert de bekende uitgeverij Bach-Gesellschaft tussen 1851 en 1899 de ‘Bach-Gesamt Ausgabe’. Deze vrijwel ‘schone versie’ van de bladmuziek, zonder extra toegevoegde tekens, voldoet nog niet aan onze huidige academische maatstaven, maar vormt wel een belangrijke eerste stap. Tegenwoordig spelen veel pianisten nog steeds uit de BG-edities, die vaak gratis online te vinden zijn. Later wordt deze editie grotendeels vervangen door de ‘Neue Bach Ausgabe’, die nu meer als de norm geldt.
Wending na 1950 in het wetenschappelijk onderzoek naar J. S. Bach
Deze voorgaande ontwikkelingen zijn interessant, maar het wetenschappelijk gehalte kon hoger. Voor 1950 werd onderzoek vooral gedaan door individuele onderzoekers en zonder de moderne digitale middelen. Na 1950 werden er Bach-instituten opgericht waardoor Bach-studies meer geïnstitutionaliseerd werden. Twee belangrijke instituten zijn de Bach-Archiv Leipzig en Johann-Sebastian-Bach-Institut Göttingen.
Institutionalisering, technologische vernieuwingen en digitalisering zijn wetenschappelijk gezien een grote stap voorwaarts. Ze zorgen ervoor dat wetenschappers hun krachten bundelen, beschikken over betere onderzoekstools en overal ter wereld toegang hebben tot de belangrijke bronnen (Bärwald 2017). Tegenwoordig hebben we de goede digitale scans van oorspronkelijke manuscripten van Bach online beschikbaar. Evenals overzichten van alle publicaties rondom Bach.
Hieronder zet ik een aantal belangrijke ontwikkelingen op een rij.
Nieuwe Bach replica-instrumenten
Er ontstaan na 1950 betere replica-instrumenten, gebouwd door o.a. Martin Skowronek, William Dowd en Frank Hubbard. Rond 1970 had je 17e- en 18e-eeuwse orgelreplica’s, gebouwd door o.a. Jürgen Ahrend, Charles Fiske en Gene Bedient.
Als je meer wilt weten over de historische achtergrond van klavecimbels is Hubbards ‘Three Centuries of Harpsichord Making’ (1965) een goed begin. Neem ook een kijkje op de website van ‘Stichting Clavecimbel Genootschap Nederland’.

Frank Hubbards klavecimbel-replica
Neue Bach-Ausgabe (Urtext)
Vanaf 1954 komt er een nieuwe kritische-editie van Bachs bladmuziek: de ‘Neue Bach-Ausgabe’ (NBA). Deze Urtext-editie is nu vrijwel de standaard – met enige kanttekeningen – voor bladmuziek van Bach. Hij vervangt grotendeels de eerdere BG-editie.
Tip voor muzikanten: je kan veel gratis NBA-bladmuziek vinden op IMSLP, behalve voor piano. De volledig collectie kun je kopen bij uitgeverij Baerenreiter.
Wel even een kanttekening: Hoe goed een Urtext ook is, het blijft wetenschappelijk giswerk. Zoals Bach-specialist Robert L. Marshall zegt: “[…] one can rarely achieve more than a rendering that is consistent and plausible and that just may reflect Bach’s intention. But that can almost never be proven. What one quite frankly settles for in most cases, then, is a fairly reasonable fiction.”
In het blog over de problemen voor de muziekinterpretatie van bladmuziek lees je hierover meer.

Bachs beroemde ‘Musikalisches Opfer’ (NBA-uitgave)
Nieuwe boeken over hoe je Bach moet spelen
In 1963 schrijft Robert Donington ‘The Interpretation of Early Music’, een verfijning van Dolmetsch’ werk over de uitvoeringspraktijk van Bachs muziek.
Ook wordt er nieuw brononderzoek gedaan door Alfred Dürr, Georg von Dadelsen, Robert Marshall en Christoph Wolff. Zij kwamen met nieuwe informatie over hoe je Bach moet uitvoeren (Stauffer 2010, 274). Nog steeds grote namen in het veld die je zeker moet kennen.
Bronnen en naslagwerken voor Bach-studies
Er zijn minstens drie essentiële researchtools die niet mogen ontbreken bij zelfstudie naar Bach, exclusief de NBA-editie.
Allereerst is er de wetenschappelijke literatuur, met het vooraanstaande Bach-Jahrbuch, dat toonaangevend is op het onderzoeksgebied van Bach. Dit tijdschrift bevat baanbrekende wetenschappelijke artikelen in het Duits. De eerste redacteur was Arnold Schering (1904), en momenteel is Peter Wollny verantwoordelijk voor de redactie.
Voor diegenen die de voorkeur geven aan Engelstalige tijdschriften zijn er Bach: Journal of the Riemenschneider Bach Institute en Bach Perspectives.
Daarnaast is de website Bach Bibliography van groot belang. Hier vind je een vrijwel compleet overzicht van alle publicaties over Bach, variërend van peer-reviewed journals tot ongepubliceerde papers. Deze database is tot stand gekomen door een samenwerking tussen het Bach-Archiv Leipzig en Yo Tomita.
Ten tweede is er het standaardwerk The New Bach Reader (afgekort BR), de herziene editie uit 1998. Dit is de Engelse versie van het uitgebreidere Duitse Bach-Dokumente (afgekort BD). In dit boek vind je een compilatie van de belangrijkste oorspronkelijke historische documenten over Bach, inclusief vrijwel alle documenten van Bach zelf en zijn tijdgenoten. Alles is overzichtelijk bijeengebracht, zodat je gemakkelijk de oorspronkelijke bronnen in Engelse vertaling kunt lezen. Dit werk is ook beschikbaar in e-bookformaat.
Ten derde biedt de website Bach Digital toegang tot gedigitaliseerde originele en kopieën van Bachs manuscripten. Hier vind je wat we ‘autografen’ en ‘apografen’ noemen.
Met deze tools krijg je eenvoudig toegang tot de belangrijkste bronnen!
HIP muzikanten
De uitvoerende muzikanten kwamen vanaf 1971 met nieuwe ‘historisch-geïnformeerde’ opnames van Bachs muziek. De Bach-cantate opnames van Nikolaus Harnoncourt (1929-2016) en Gustav Leonhardt (1928-2012) bijvoorbeeld waren baanbrekend. Dit was een eerste experiment-lab voor nieuwe HIP-ideeën. Zij zetten vanaf dan een geheel nieuwe standaard voor Bach uitvoeringen.
Op de schouders van deze pioniers staan latere Bach-specialisten als Ton Koopman (1944). Je ziet Koopman meestal het orkest dirigeren vanuit het klavecimbel. Dat kan je misschien opvallend vinden, maar dat was de standaardpraktijk van de 18e-eeuw. Bach componeerde, speelde en dirigeerde zijn muziekstukken.
Interessante kijktip: Ton Koopman is op zijn oude dag op YouTube begonnen met ‘vlog-series’ vanuit zijn huis in Bussum. Een aanrader om te kijken. Hij neemt je heel persoonlijk mee op reis in de wereld van Bach.
Voor luistertips en ‘wie is wie’ in de HIP-muzikantenscène lees mijn volgende twee blogs over klavecinisten/toetsenisten en orkesten/ensembles.
Tot slot: 4 kernvragen binnen de Historische Uitvoeringspraktijk voor Bachs muziek
De HIP wil zijn interpretaties doen vanuit de muziekwetenschappelijke resultaten. Niet alleen vanuit een persoonlijke artistieke ingeving. Als je als muzikant de HIP-benadering gebruikt, leer je bij alles vraagtekens te plaatsen. Je neemt niets klakkeloos aan. Wat hoort bij een goede ‘wetenschappelijke’ insteek.
In elk HIP-onderzoek spelen dan ook steeds 4 kernvragen een hoofdrol. Ton Koopman (2008) vat ze kernachtig samen:
- Wat waren de bedoelingen van de componist?
- Hoe komen we in het bezit van een goede en correctie notentekst?
- Hebben we het juiste historische instrument dat we kunnen gebruiken?
- Hoe is het met onze kennis van de rol van de improvisatie, stijl, tempo, etc.?
Gedurende deze blogserie zoomen we in op die vragen zelf voordat we concrete antwoorden gaan zoeken. Want die vragen beantwoorden lijkt simpel. Maar niets is minder waar. Kun je een ‘bedoeling’ van een overleden componist die je niet kan interviewen achterhalen? Hoe dan? Biedt een Urtext ons wel de juiste tekst? Met welke zekerheid kunnen we dit soort vragen werkelijk beantwoorden? Wat zijn de problemen die je tegenkomt als je naar antwoorden zoekt? Is HIP-onderzoek wel zo veelbelovend als zij zelf claimt?
We zijn er nog lang niet. Het blijft vooralsnog een never-ending maar zéér interessante ontdekkingsreis.
In het volgende blog nemen we een andere invalshoek: we gaan luisteren naar grote namen in de HIP-wereld!
Literatuur
- Bach Bibliography voor een vrijwel compleet overzicht van wetenschappelijke publicaties. https://www.qub.ac.uk/tomita/bachbib/.
- Bach Digital voor oorspronkelijke manuscripten (autografen). https://www.bach-digital.de/content/index.xed;jsessionid=3E26BBD15CA3B5E409530E7D497B41DC?lang=en.
- Bach-Gesellschaft Ausgabe voor bladmuziek. https://imslp.org/wiki/Bach-Gesellschaft_Ausgabe_(Bach,_Johann_Sebastian).
- Bach-Jahrbuch 1904-2019. Edited by Peter Wollny. https://www.neue-bachgesellschaft.de/the-nbg-the-association/bach-annals/?lang=en.
- BACH: Journal of the Riemenschneider Bach Institute. https://www.jstor.org/journal/bach.
- Bach Perspectives. https://www.americanbachsociety.org/perspectives.html.
- Bärwald, Manuel. “Recent Research Developments.” In The Routledge Research Companion to Johann Sebastian Bach, edited by Robin A. Leaver, 475-484. New York: Routledge, 2017.
- Bitter, Carl Hermann. The Life of J. Sebastian Bach, translated by Janet Elizabeth Kay-Shuttleworth. London Houlston, 1873.
- David, Hans T. and Arthur Mendel. The New Bach Reader: A Life of Johann Sebastian Bach in Letters and Documents. Revised and enlarged by Christoph Wolf. New York: Norton, 1998.
- Dolmetsch, Arnold. The Interpretation of the Music of the XVII and XVIII Centuries. London: Novello and Co., 1915.
- Donington, Robert. The Interpretation of Early Music. London, 1963. Revised edition. London, 1974.
- Hubbard, Frank. Three Centuries of Harpsichord Making. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1965.
- Koopman, Ton. Oratie: Authenticiteit in de historische uitvoeringspraktijk. Universiteit Leiden, 2008.
- Kuijken, Barthold. The Notation is not the Music: Reflections on Early Music Practice and Performance. Indiana: Indiana University Press, 2013.
- Marshall, Robert L. The Music of Johann Sebastian Bach: The Sources, The Style, The Significance. New York: Schirmer Books, 1989.
- Neue Bach-Ausgabe voor bladmuziek. https://imslp.org/wiki/Neue_Bach-Ausgabe_(Bach,_Johann_Sebastian).
- Schering, Arnold. Johann Sebastian Bachs Leipziger Kirchenmusik. Wiesbaden: Breitkopf & Härtel, 1936.
- Schering, Arnold. Johann Sebastian Bach und das Musikleben Leipzigs im 18. Jahrhundert. Leipzig: Kistner & Siegel, 1941.
- Spitta, Philipp. Johann Sebastian Bach: His Work and Influence on the Music of Germany, 1685–1750. In three volumes. Translated by Clara Bell and John A. Fuller Maitland. London: Novello & Co, 1899.
- Stauffer, George B. “Changing Issues of Performance Practice.” In The Cambridge Companion to Bach, edited by John Butt, 260-277. Cambridge: Cambridge University Press, 2010.
- Terry, Charles Sanford. Bach’s Orchestra. Oxford: Oxford University Press, 1932. Reprint 1961.
J. S. Bachs muziek spelen: Waar begin je? [Klassieke muziek spelen deel 1]

Al jaren heb ik een grote interesse in de muziek van Johann Sebastian Bach (1685-1750). Als muziekprofessional waardeer ik zorgvuldig onderzoek naar zijn werk. Tegelijk vind ik het belangrijk om een balans te vinden tussen wetenschappelijke nauwkeurigheid en persoonlijke intuïtie. Beide aspecten wil ik samenbrengen en op een toegankelijke manier delen.
In deze 7-delige blogserie ‘klassieke muziek interpreteren’ wordt een ontdekkingsreis door Bachs muziek ondernomen. Hierbij ligt de focus op de interpretatie en uitvoering van zijn composities, gebaseerd op breed gedragen inzichten uit het Bach-onderzoek.
Het is bekend dat deze informatie online vaak moeilijk te vinden is. Wikipedia-achtige websites bieden vooral biografische informatie, maar weinig kwalitatieve gegevens over de uitvoering van zijn werken. Ook zijn de resultaten uit wetenschappelijk Bach-onderzoek niet voor iedereen bekend, en het lezen van uitgebreide studies is niet altijd haalbaar.
Deze serie biedt een helder overzicht van de belangrijkste inzichten en helpt geïnteresseerden verder op weg. Wat wordt er precies besproken?
Muziekwetenschap en Bach spelen, ook op piano!
In dit blog worden de belangrijkste muziekwetenschappelijke inzichten over Bach gedeeld. Wat bekend is en wat nog onduidelijk blijft. Zo kan in korte tijd inzicht worden verkregen in de academische discussie over Bach. Deze inzichten zijn direct toepasbaar op het eigen instrument. De gekozen benadering is de HIP-methode: Historically Informed Performance. Daarover volgt later meer.
Voor wie dieper wil ingaan op het onderwerp, is er veel literatuuradvies en zijn er tips voor verdere verdieping in de interpretatie en uitvoering van Bachs muziek.
Daarnaast worden er praktische tips gegeven over het spelen van Bach op de piano. Ja, datzelfde instrument dat Ton Koopman “het zwarte monster” noemt, een instrument dat Bach zelf nooit gekend heeft (Koopman 2008, 4). Als pianist en pianoleraar, en geen klavecinist of organist, wil ik weten of en in hoeverre je een vertaalslag kunt maken van de historische instrumenten die Bach kende naar uitvoeringen op de moderne piano.
Heb je interesse naar klassieke muziek en muziekinterpretatie?
In het bijzonder in de werken van Bach of Mozart? Dan is deze blogserie waardevol. Ongeacht de voorkeur voor een specifiek instrument, zoals piano, klavecimbel, viool, cello, contrabas, fluit, gitaar of klassieke zang, kunnen de algemene inzichten worden verwerkt in het eigen spel. Of het nu gaat om muzikanten of zangers, beginners, gevorderden of professionals.
Dit blog biedt géén sluitende antwoorden, maar wel veel stof tot nadenken!
Muziek van J. S Bach spelen: authentiek of smaakkwestie?
“You play Bach your way, and I’ll play him ‘his’ way.”
– Wanda Landowska
Een beroemde uitspraak van pianist Wanda Landowska suggereert, negatief opgevat, dat er een ‘juiste’ manier is om een componist of muziekgenre uit te voeren. Vaak gaat dit gepaard met het oordeel dat wat ‘authentiek’ is, correct is. Sommige klassieke muzikanten die Bachs barokmuziek spelen, claimen bijvoorbeeld: ‘Wat wij doen is authentieke uitvoeringspraktijk,’ wat impliceert dat anderen dat niet zijn.
Deze rigide visie kan frustratie opwekken. Aan de andere kant klinkt de vraag: wie bepaalt hoe een genie als Bach moet worden uitgevoerd? Muziek is immers een kwestie van persoonlijke smaak, en elke artiest heeft het recht om zijn of haar unieke stem te laten horen.
Beide posities – authentiek en puur smaak – vertegenwoordigen echter uitersten van het spectrum.
Geen extremen maar middenweg voor Bachs muziek
Zeker, muziek moet geïnterpreteerd worden en persoonlijke voorkeuren spelen een cruciale rol. Maar muziek is ook een vak; de kennis uit de muziekwetenschap kan niet worden genegeerd. Dit omvat articulatie, ritme, harmonie, melodie, versieringen en het begrijpen van Bachs noten. Labels zoals ‘authentiek’ of ‘enige correcte uitvoering’ zijn na 20e-eeuwse Bach-onderzoeken achterhaald. De praktijk van de 18e eeuw is vaak minder zwart-wit en soms zelfs rommelig.
Bach-specialist en fluitist Barthold Kuijken waarschuwt terecht: “The more we study the old sources, the more it becomes obvious that there is not a unique historical truth, valid for all times, places, styles, genres, and composers” (Kuijken 2013, 4).
Wat is dan de gulden middenweg? En uiteindelijk: hoe moet de muziek van J.S. Bach geïnterpreteerd en gespeeld worden? ‘Zoals Bach het heeft bedoeld’?
Hoe speel je de muziek van J. S Bach zoals Bach het heeft bedoeld?
Die vraag houdt muzikanten vanaf de 20e-eeuw enorm bezig. Er bestaat sinds 1950 rondom die vraag een groot specialistisch vakgebied. Het heet de ‘Historically Informed Performance’, afgekort HIP.
Historically Informed Performance of Authentieke Uitvoeringspraktijk?
‘Historisch-geïnformeerd’ klinkt minder normerend dan ‘authentieke uitvoeringspraktijk’, en daarom heeft deze term de voorkeur van velen. Het draait niet om moralistisch vingerwijzen over wat ‘authentiek’ is. Het gaat om goed geïnformeerd zijn, zodat beter kan worden bepaald wat te doen bij het spelen van Bachs muziek.
De HIP-benadering houdt in: ‘Lees je goed in, test je onderzoeksresultaten in de praktijk en vorm een weloverwogen mening, met ruimte voor eigen smaak.’ Het komt neer op een zorgvuldige educated guess.
Dát is de middenweg die in deze blogserie wordt voorgesteld. In het blog ‘Introductie historische uitvoeringspraktijk voor J.S. Bachs muziek’ staat meer informatie over de HIP.
De juiste balans tussen muziekwetenschap en artistieke vrijheid als middenweg
“Weet wat je doet. Ga niet zomaar iets omdat je het aardig vindt doen.”
– Ton Koopman
Als muzikant is het belangrijk een balans te vinden tussen wetenschappelijke kennis en muzikale vrijheid als artiest.
De interpretatie van Bachs muziek moet allereerst gevormd worden vanuit een grondige analyse van de historische en muziektheoretische gegevens. Dit is geen nattevingerwerk. Bachs muziek is namelijk ook bedoeld voor ‘kenners’. Dit is geen persoonlijke beoordeling, maar een uitspraak van Bach zelf, weergegeven op de titelpagina van zijn Clavier-Übung III (1739). Het is essentieel om Bachs muziek op ‘kenner-niveau’ te begrijpen.
In een tv-interview zegt Ton Koopman, met meer dan 50 jaar ervaring, terecht: “Weet wat je doet. Ga niet zomaar iets omdat je het aardig vindt doen.”
Tegelijkertijd is de interpretatie ook de unieke stem van de muzikant. Muziekperformance is geen wiskunde; het is niet nodig om steeds dezelfde berekening te maken voor hetzelfde resultaat. Elke speelsituatie is anders. De muzikant bepaalt telkens opnieuw hoe de droge analysegegevens moeten worden toegepast, gebaseerd op muzikale intuïtie en goede smaak. Muziek maken is kunst in real-time, waarbij rekening moet worden gehouden met de concrete speelsituatie en het unieke, onherhaalbare muziekmoment.
De waarde van ‘Historically Informed Performance’
“HIP levert je mogelijke keuzes die ‘historisch plausibel’ zijn.”
De muziekwetenschappelijke benadering van HIP biedt ‘mogelijke’ keuzes die ‘historisch plausibel’ zijn. In de woorden van Ton Koopman: “om vooral geen domme dingen te doen” (Koopman 2008, 4). Dit maakt HIP waardevol. Tegelijkertijd biedt HIP ruimte voor artistieke vrijheid en persoonlijke smaak. Op deze manier kunnen academische inzichten worden opgedaan en blijft er aandacht voor het belangrijke subjectieve aspect van muziek. Deze ruimte werd ook door componisten zoals Bach en Mozart gebruikt wanneer zij muziek van hun voorgangers uitvoerden (Stauffer 2010, 260-264).
W. A. Mozart (1756-1791) maakte bijvoorbeeld transcripties van Bachs muziek. Hij voegde zijn eigen gecomponeerde stukjes toe. Alles geheel uitgevoerd naar de smaak van zijn eigen tijd. Beluister eens Mozarts KV 404a:
En de beroemde 18e-eeuwse muziekpedagoog en fluitist Johann Joachim Quantz schreef al in 1752: “Almost everyone has an individual style of execution. The reason for this is found not only in musical training, but in the particular temperament that distinguishes one person from another.” (On Playing the Flute, XI:9).
Vanuit de middenwegvisie kun je veel waarde halen uit de HIP. De benadering is een ‘best of both worlds’.
Bach-studies bieden vooral uitgangspunten voor muziekuitvoering
Het wetenschappelijke onderzoek naar Bach is vanaf 1950 naar een hoger niveau getild. Het geeft ons veel meer accurate informatie over Bach zelf, zijn tijdsgeest en werken. Meer dan onderzoeken vóór 1950. Veel opvattingen van vroeger over datering of de uitvoering van Bachs muziek zijn ondertussen overboord gegooid of geüpdatet (Schulenberg 2006).
“De HIP biedt je vooral een richtlijn, een manier van kijken.”
Maar blijf wel open-minded. Verwacht geen zwart-witte antwoorden. Geen rotsvaste dogma’s. De HIP biedt je vooral een richtlijn, een manier van kijken. Mogelijkheden en kaders waarbinnen je de muziek van Bach kan interpreteren.
Zoals Bach-specialist David Schulenberg concludeert: “Useful answers [in Bach studies] are likely to be framed in terms of probabilities and possibilities, not absolute black and white dogmas.” (Schulenberg 2006, 11).
Wat we wél weten over Bach
Er is steeds meer bekend over de mogelijkheden in de uitvoering van Bachs muziek. Genoteerde bogen boven de noten betekenen in Bachs bladmuziek niet simpelweg ‘legato’ (gebonden spelen). Ze kunnen zowel articulatietekens als bepaalde volume- en tempo-indicaties inhouden, of de start van een ‘frase’ (muzikale zin).
De bekende Bach-specialist John Butt doet veel onderzoek naar dit onderwerp. In zijn standaardwerk Bach Interpretation: Articulation Marks in Primary Sources of J.S. Bach merkt hij op: “Sometimes they [slurs] perform several interpretative tasks simultaneously” (Butt 1990, 209). Dit is iets wat meestal weinig muzikanten en muziekdocenten beseffen.

Manuscript P610. Bachs ‘Inventie nr. 3’ met bogen (Bron: Bach Digital)
Wat we niet weten over Bach
Er is ook steeds meer bekend over wat we niet (kunnen) weten en hoe lastig het is om historische vragen over Bach met zekerheid te beantwoorden, zelfs de simpelste vragen. Bijvoorbeeld of een stuk van Bach voor orgel of klavecimbel is geschreven.
Neem de Clavier Toccatas BWV 910-916. Wat betekent ‘Clavier’? Volgens Robert Marshall zijn deze waarschijnlijk voor orgel geschreven, terwijl Christoph Wolff dit tegenspreekt (Crist 2010, 115). Allebei zijn ze gerenommeerde Bach-specialisten die het bronnenbewijs op een andere manier interpreteren. Ze trekken echter in ieder geval geen conclusies met wiskundige zekerheid.
Beide resultaten zijn waardevol
De onzekerheid in het Bach-onderzoek moet niet demotiverend werken. Het idee dat ‘we kunnen toch niets weten’ is niet terecht. Zowel de resultaten van wat we wel als niet (kunnen) weten zijn waardevol. Het ontdekken van vaagheid is ook een vorm van vooruitgang. Het helpt bij het formuleren van betere vragen en het temperen van zekere stelligheid wanneer dat nodig is.
Tot slot: welke 4 vragen over Bach en zijn muziek staan centraal?
De HIP wil zijn interpretaties doen vanuit de muziekwetenschappelijke resultaten. Niet alleen vanuit een persoonlijke smaakopvatting. In elk HIP-onderzoek spelen tussen alle duizend vragen altijd 4 kernvragen een hoofdrol. Ton Koopman (2008) vat ze kernachtig samen tijdens zijn oratie als hoogleraar:
- Wat waren de bedoelingen van de componist?
- Hoe komen we in het bezit van een goede en correctie notentekst?
- Hebben we het juiste historische instrument dat we kunnen gebruiken?
- Hoe is het met onze kennis van de rol van de improvisatie, stijl, tempo, etc.?
Deze kernvragen vormen de focus van deze blogserie. Hopelijk helpen deze inzichten jou tijdens je muzikale reis in de wereld van Bach en zijn muziek.
Leer in deel 2 meer over de HIP en haar waarde voor het spelen van Bachs muziek.
Literatuur
- Butt, John. Bach Interpretation: Articulation Marks in Primary Sources of J.S. Bach. Cambridge: Cambridge University Press, 1990.
- Crist, Stephen A. “The Early Works and the Heritage of the Seventeenth Century.” In The Cambridge Companion to Bach, edited by John Butt, 104-116. Cambridge: Cambridge University Press, 2010.
- Koopman, Ton. Oratie: Authenticiteit in de historische uitvoeringspraktijk. Universiteit Leiden, 2008.
- Kuijken, Barthold. The Notation is Not the Music: Reflections on Early Music Practice and Performance. Indiana: Indiana University Press, 2013.
- Quantz, Joachim. On Playing The Flute, translation by Edward R. Reilly, second ed. London: Faber and Faber Ltd, 2010. PDF e-book.
- Schulenberg, David. The Keyboard Music of J. S. Bach. New York: Routledge, 2006.
- Stauffer, George B. “Changing Issues of Performance Practice.” In The Cambridge Companion to Bach, edited by John Butt, 260-277. Cambridge: Cambridge University Press, 2010.